Om God te vinden moet je eerst een kikker kussen

Veel bekende sprookjes gaan over een kundalini-ontwaken. Dat is opmerkelijk, want deze opgetekende volksverhalen stammen uit een tijd dat dit oosterse begrip nog niet tot het westerse collectieve bewustzijn was doorgedrongen. En hoewel heden ten dage, met name door de verhoogde belangstelling voor yoga, ook in dit deel van de wereld de kundalini in het spirituele jargon is beland, wordt deze geheimzinnige bron van energie toch voornamelijk gezien als iets exotisch, horend bij de ascetische yogi die allerlei ingewikkelde oefeningen (kriya’s) uitvoert om deze ‘slangenkracht’ in zijn bekken op te wekken.

Wie er oog voor krijgt gaat echter zien dat in de heilige geschriften en iconografie van vrijwel alle religies en spirituele tradities verwijzingen zijn terug te vinden – meestal verhuld – naar een goddelijke vuur in ons bekken (bij het heiligbeen!). Het beeld dat ontstaat als je al deze ‘sporen’, achtergelaten door ingewijden en mystici, naast elkaar legt, is dat wij bij onze incarnatie in de stof een goddelijke waakvlam hebben meegekregen, die, indien tot ontbranden gebracht, de mens kan leiden naar een volgende stap in de evolutie. Een mogelijkheid tot bewustzijnsverruiming die ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Een potentieel van onsterfelijkheid.

Speciale oefeningen zijn in principe niet nodig om de kundalini te laten ontwaken. Veel belangrijker is een zuivere leefwijze en een oprecht verlangen naar God. En een bereidheid om alles wat in het onderbewuste ligt opgeslagen onder ogen te zien. Over dit laatste gaat het bekende sprookje van de Kikkerkoning.

De gouden bal

Het verhaal begint met een prinses die haar gouden bal in het water laat vallen:

Vlak bij het slot van de koning lag een groot donker bos en in dat bos bevond zich onder een oude linde een bron. Als het nu overdag heel warm was liep het koningskind het bos in en ging aan de rand van de koele bron zitten – en als zij zich verveelde nam zij een gouden bal die zij omhoog wierp en weer opving; en dat was haar liefste spel.Nu gebeurde het op een keer dat de gouden bal van de koningsdochter niet in haar handje viel, dat zij omhoog hield, maar er naast op de grond terechtkwam en regelrecht in het water rolde.

Alle elementen van dit citaat verwijzen naar de kundalini-energie. Een boom is hét klassieke symbool voor de wervelkolom waarin de ontwaakte kundalini omhoog stroomt naar de kruin. De waterbron onder de boom staat voor de goddelijke energie zelf. De gouden bal die de koningsdochter omhoog gooit bij de bron, verbeeldt de opstijgende beweging van de kundalini. Zowel de cirkelvorm als het goud van de bal verwijzen naar het goddelijke.

De prinses laat de bal in de bron vallen en deze verdwijnt onder water; oftewel de kundalini-energie trekt zich terug in het bekken. Ze huilt bittere tranen en is ontroostbaar. Dan komt er uit het water een kikker omhoog die aanbiedt haar te helpen, maar daar wil hij wel iets voor terug:

De kikker antwoordde: “Je kleren, je parels en edelstenen en je gouden kroon wil ik niet hebben, maar als je mij wilt liefhebben en ik je vriendje en speelkameraad mag zijn, naast je aan je tafeltje mag zitten, van je gouden bordje eten, uit je bekertje drinken en in je bedje slapen: als je mij dat belooft, dan zal ik naar de diepte afdalen en je gouden bal weer naar boven brengen.” – “Ach, ja,” zei zij, “ik beloof je alles wat je wilt, als je mij mijn bal maar weer terugbrengt.”

Kikkerkoning

De prinses komt echter haar belofte niet na. Als ze de bal terugheeft laat ze de kikker achter bij de bron. De volgende dag klopt hij op de deur van het paleis, maar de prinses laat hem niet binnen. Als de koning hoort wat er is gebeurd, draagt hij zijn dochter op zich te houden aan wat ze heeft beloofd. Met grote tegenzin opent ze daarna de deur voor de kikker.

Het dierlijke in de mens

De kikker staat voor al onze eigenschappen, neigingen en driften, waarvan we het bestaan het liefst ontkennen. Meestal gaat het hierbij om aspecten van onze dierlijke natuur. Denk hierbij aan agressie, jaloezie, hebberigheid, lust en egoïsme. Een centraal thema dat steeds weer terugkomt in alle geschriften over het kundalini-mysterie, is het overwinnen van onze dierlijke instincten en deze krachten aanwenden voor de realisatie van ons goddelijke potentieel.

Kikkerkoning

Een van de valkuilen op de spirituele weg is het onderdrukken of ontkennen van neigingen die niet passen in het ideaalbeeld dat wij hebben van iemand de heilig of verlicht is. Deze energieën van onze ‘lagere’ of aardse natuur kunnen ons echter – gezuiverd en gesublimeerd – juist helpen om het hogere te verwezenlijken. Sterker nog, zonder deze oerkrachten blijven de poorten van het Koninkrijk van God gesloten. Dit is wat dit sprookje ons wil laten zien.

De kikker die uit het water (lees: het onderbewuste) omhoog komt, symboliseert de bewustwording van deze ‘schaduwaspecten’. Bewustwording alleen is echter niet voldoende: de kikker wil vriendjes worden met de prinses en wil dat zij hem lief heeft, anders krijgt ze haar gouden bal niet terug. Willen wij God vinden, dan zullen wij de ‘onaantrekkelijke’ aspecten van onszelf moeten omarmen en liefhebben. De kikker wil ook van het bordje eten van de prinses en in haar bedje slapen. Dit zijn integratiebeelden; de lagere natuur moet worden opgenomen in de (energie van de) totale persoonlijkheid.

Kikker wordt prins

kikkerkoning

De prinses worstelt met deze opdracht, want ze vindt de kikker maar een vies, lelijk beest. Als ze, tegenstribbelend, het dier meeneemt naar haar slaapkamer, staat haar echter een grote verrassing te wachten:

Toen pakte zij hem met twee vingers op, droeg hem naar boven en smakte hem zo hard zij kon
tegen de muur. “Nu kan je rusten, jij lelijke kikker.” Maar toen hij naar beneden viel was hij geen kikker meer, maar een koningszoon met mooie vriendelijke ogen. En nu was hij zoals haar vader wilde, haar lieve metgezel en echtgenoot. Toen vertelde hij haar dat hij door een boze heks was betoverd en dat niemand hem uit de bron had kunnen verlossen dan zij alleen en morgen zouden zij samen naar zijn rijk gaan.

Eenmaal in de slaapkamer (geïntegreerd) verandert de kikker in een aantrekkelijke prins, met wie de prinses daarna trouwt. Dit huwelijk staat voor de vereniging van de mens met God – het zogenaamde heilige huwelijk – waarbij het mannelijke (de prins) en vrouwelijke (de prinses) in de mens versmelten.

In de oorspronkelijke versie van het sprookje gooit de prinses de kikker tegen de muur. Dit is in latere versies aangepast naar een diervriendelijker beeld: de prinses die de kikker kust.

Het ontwaken van het hart

Dan volgt er nog een prachtig en betekenisvol slot:

De volgende ochtend toen de zon hen wekte kwam er een wagen aanrijden, bespannen met acht witte paarden die witte struisveren op het hoofd hadden en in gouden kettingen liepen en achterop stond de dienaar van de jonge koning, dat was de trouwe Hendrik. De trouwe Hendrik was zo bedroefd geweest toen zijn heer in een kikker werd veranderd, dat hij drie ijzeren banden om zijn hart had laten slaan opdat het niet van smart en droefenis zou breken. De wagen moest de jonge koning afhalen om hem naar zijn rijk te brengen. De trouwe Hendrik hielp hen beiden instappen, ging weer achterop staan en was zeer verheugd over de verlossing.
En toen zij een eind gereden hadden, hoorde de koningszoon een gekraak achter zich alsof er iets brak. Toen draaide hij zich om en riep: “Hendrik, de wagen breekt!”

Kikkerkoning

“Nee, Heer, het is de wagen niet,
Maar een ring van mijn hart,
Die mij steunde in mijn smart,
Toen u in de bron ging wonen
En u als kikker moest vertonen.”

Nóg een keer en nóg een keer brak er ijzer op de weg en de prins dacht steeds dat de koets brak, maar het waren de ijzeren ringen die van het hart van de trouwe Hendrik afvielen, omdat zijn heer nu bevrijd en gelukkig was.

De witte paarden die het verliefde stel naar het koninkrijk van de prins (lees: God) brengen staan voor de uitgezuiverde (witte) dierlijke krachten. De struisvogelveren op hun hoofd hebben dezelfde betekenis als de vleugels van het mythische paard Pegasus: de sublimatie (vergeestelijking) van het aardse. De gouden kettingen waarmee de paarden zijn aangespannen verwijzen naar het goddelijke.

De koetsier van de wagen, de trouwe Hendrik, staat voor de mens in wie deze transformatie plaatsvindt. Het breken van de drie ijzeren banden om zijn hart symboliseert het volledig (drie) open gaan van het hartchakra, als de vereniging met God plaatsvindt. De mens wordt van zijn knellende aardse banden verlost . Een grote gelukzaligheid doorstroomt zijn wezen. De betovering van de heks (de illusie van het Maya) is verbroken.

Noorse godenmythes

Freya

Dit sprookje heeft duidelijke wortels in de Noorse mythologie. De lindeboom (bij de bron) uit het verhaal heeft een heilige status in de Keltische en Germaanse traditie. De moedergodin Freya (onze vrijdag is naar haar vernoemd) zou wonen in deze boom. Freya personifieert – net als veel moedergodinnen uit andere tradities (Kali, Vajrayogini, Aphrodite, Isis, Inanna) – de kundalini-energie. Zij staat voor het vrouwelijke aspect van de ene God, wonend in de wervelkolom (de Lindeboom) van de mens.

Wat bij de keuze van de Linde ongetwijfeld heeft meegespeeld, is dat de zaadjes van deze boom verbonden zijn met een langwerpig blaadje, waardoor zij, als zij naar beneden vallen, een tollende beweging maken. Dezelfde cirkelende beweging die de kundalini-energie maakt, omhoog langs de wervelkolom.

Volgens de mythes wilde Freya kost wat kost een bijzondere ketting genaamd Brinsingamen bezitten. Om deze te verkrijgen moest ze slapen met de vier afzichtelijke dwergen die haar hebben gemaakt. Een verhaallijn die overeenkomt met een prinses die haar bed moet delen met een vieze kikker.
Ook de vier dwergen symboliseren onze aardse (lagere) natuur: in de Noorse mythologie staan vier dwergen, met de namen Noord, Zuid, Oost en West, op de uithoeken van de wereld om het hemeldak te ondersteunen. De kostbare ketting verbeeldt de zeven chakra’s die worden doorstroomd en geactiveerd door de kundalini-energie. Een prachtige metafoor voor een kundalini-ontwaken!

Het sprookje laat de koninklijke koets trekken door acht paarden. In de Noorse mythologie verplaatst de Noorse oppergod Odin zich op het achtbenige paard Sleipnir. De acht benen symboliseren de versmelting van twee krachten (paarden): van de mannelijke energieën en de vrouwelijke energieën, tot één (kundalini-)superkracht.

De moraal

Het sprookje van de kikkerkoning wil ons duidelijk maken dat de weg naar God niet een kwestie is van het aardse overstijgen, maar dwars door de blubber van al je zeer menselijke neigingen leidt. Schijn-heiligheid is een grote valkuil op deze weg!

Dit artikel is eerder verschenen in Paravisie magazine (juli ’17)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
2018-08-09T14:53:53+00:00