Het spirituele pad, in sprookjes vervat

De zes dode echtgenotes van Blauwbaard

Veel sprookjes gaan over de weg terug naar de plek waar wij vandaan komen: het Koninkrijk van God. Om terug te keren naar ons werkelijke thuis moeten vaak eerst een aantal moeilijkheden worden overwonnen. Wie niet uitkijkt wordt opgegeten door een heks, een reus of een grote boze wolf. Misschien ben je zelfs al opgegeten?

Hans en Grietje

Het sprookje van Hans en Grietje gaat over ieder van ons. Het beeld van een broer en zus die, achtergelaten door hun ouders, verdwaald zijn in het grote donkere bos, is een metafoor voor de mens (innerlijk opgedeeld in een mannelijke en een vrouwelijke helft) die ‘van God los’ op aarde ronddoolt.

De kinderen dreigen een hongerdood te sterven, maar net op tijd komen ze aan bij een huisje gebouwd van brood, pannenkoeken en kandijsuiker, waar ze meteen aan gaan knabbelen. Ze lijken gered, maar dan blijkt dat ze in de val zijn gelokt door een boze heks die hen gevangen zet en wil opeten.

Het huisje van snoep staat voor de verleidingen van de wereld. Wie eenzijdig gericht is op de aardse genoegens en kiest voor zintuiglijk genot, waarschuwt het sprookje, raakt ‘gevangen’ in de materie en ‘sterft’ in spiritueel opzicht. Gelukkig weten de kinderen zich net op tijd te bevrijden en met hun zakken vol met parels en edelstenen (spirituele rijkdom) uit het huis van de heks keren ze terug naar hun vader (lees: God).

Klein Duimpje

Een ander gevaar op de spirituele weg schuilt in de mens zelf. Het sprookje van Klein Duimpje, een jongen zo groot als een duim, gaat over de avonturen van ons goddelijke zelf tijdens het leven op aarde. Er zijn meerdere versies van dit sprookje. In de versie van Charles Perrault krijgt Klein Duimpje het aan de stok met een mensenetende reus, die hem wil opeten. Een reus staat in sprookjes meestal voor ons ego, dat een bedreiging vormt voor onze goddelijke kern.

Klein Duimpje is de reus echter te slim af en weet zijn zevenmijlslaarzen (zeven chakra’s) en zijn schatten te bemachtigen. Met zijn zakken en de laarzen vol met (goddelijk) goud keert hij terug naar zijn ouders (God).
In de versie van de gebroeders Grimm is het geen reus, maar een koe en een wolf die het leven van Klein Duimpje bedreigen. Hij belandt in de maag van de dieren en weet zich ternauwernood te bevrijden. Gevaarlijke dieren zijn een terugkerend thema in sprookjes. Zij staan over het algemeen voor onze lagere, dierlijke natuur die overwonnen moet worden, willen wij terugkeren naar het Koninkrijk van God.

Gevangen zitten in een maag, zoals Klein Duimpje, verwijst nog eens extra naar het gericht zijn op het bevredigen van de (onder)buik. Vertaald naar chakra-niveau gaat het hier om de energie van de onderste drie chakra’s.

De wolf en de zeven geitjes

Ook Roodkapje wordt opgeslokt door een wolf, net als de zeven kleine geitjes, die nog zo werden gewaarschuwd door hun moeder, toen zij even weg moest om een boodschap te doen. In beide sprookjes doet de wolf zich anders voor dan hij is. In Roodkapje verkleedt hij zich als de grootmoeder van het meisje, en in het verhaal met de zeven geitjes (chakra’s) maakt hij zijn poten wit met meel en verdraait hij zijn stem. Omdat hij niet wordt herkend als een wolf, weet hij zijn slachtoffers te overmeesteren en op te eten.

Dit verbeeldt dat wij het gevaar niet zien van toegeven aan ons driftleven. Deze sprookjes willen ons waarschuwen voor het verspillen van onze levensenergie (die door de zeven chakra’s stroomt). Deze oerkrachten hebben we nodig voor het realiseren van onze hogere natuur. Hierover gaat ook het bekende verhaal van de moordzuchtige Blauwbaard.

Zes dode vrouwen in een kelder

De kersverse echtgenote van Blauwbaard komt er tot haar ontzetting achter dat haar man de zes lijken van haar voorgangsters bewaart in een kamer van het huis. Een huiveringwekkende vertelling, niet echt geschikt voor jonge kinderen, met dezelfde betekenis als het sprookje van de opgeslokte geitjes. De zes echtgenotes staan voor de zes chakra’s die zijn ‘gedood’ door de dierlijke driften: haren (een baard) staan voor het dierlijke. Bij het zevende chakra (echtgenote) gaat echter een transformatie plaatsvinden.

De kleur blauw verwijst naar het spirituele. Dit verhaal wil ons laten zien dat onze dierlijke krachten ‘gespiritualiseerd’ (getransformeerd) moeten worden. De beelden die hiervoor worden gebruikt zijn even hilarisch als treffend en symboliseren een kundalini-ontwaken. Als Blauwbaard erachter komt dat zijn zevende vrouw de lijken heeft ontdekt en haar ook wil vermoorden, vraagt zij hem een kwartier tijd om te bidden. Ondertussen stuurt zij haar zuster Anna de torentap op om te kijken of haar twee broers er aan komen:

“Zuster Anna,” zei zij, “ik smeek je, ga helemaal naar boven in de toren en kijk of je onze broers er nog niet aan ziet komen. Ze hebben mij beloofd, dat zij vandaag hier zouden zijn. Als je ze ziet, geef hun dan een teken dat zij zo vlug mogelijk op moeten schieten.”

Anna haastte zich naar de torentrans en de arme, angstige vrouw riep: “Anna, zuster Anna, zie je nog niets komen?”

Maar zuster Anna zei: “Ik zie alleen de zon, die het zo stoffig maakt, en het gras, dat groen is.”

Intussen had Blauwbaard een groot zwaard gehaald en hij schreeuwde tegen zijn vrouw: “Kom ogenblikkelijk naar beneden, of moet ik je komen halen?”

“Nog eventjes, alsjeblieft,” riep zijn vrouw terug. En weer vroeg zij aan haar zuster: “Anna, zie je nog niets komen?”
En zuster Anna antwoordde: “Ik zie alleen maar de zon, die het zo stoffig maakt, en het gras, dat groen is.”
“Kom onmiddellijk naar beneden,” brulde Blauwbaard. “Anders kom ik naar boven.”

“Ik kom eraan, ik kom eraan,” antwoordde zijn vrouw.
En zij riep: “Anna, zuster Anna, zie je nog niets komen?”
“Ik zie een grote stofwolk, die deze kant uit komt,” riep Anna terug.
“Zijn het onze broers?”
“Ach nee, lief zusje, ik zie nu dat het een kudde schapen is.”
“Kom je of kom je niet?” schreeuwde Blauwbaard.
“Nog één minuutje,” zei zijn vrouw. En zij riep: “Anna, zuster Anna, zie je nog niets komen?”
“Ik zie twee ruiters,” zei haar zuster. “Maar zij zijn nog een heel eind weg.”

“De hemel zij dank,” zei de arme vrouw vol vreugde. “Dat zijn onze broers. Ik zal proberen ze een teken te geven, dat ze op moeten schieten.”

Nu brulde Blauwbaard zo hard van woede, dat het hele huis er van trilde. De angstige vrouw ging naar beneden en wierp zich zelf opnieuw aan zijn voeten. Tranen stroomden over haar wangen en haar haren vielen voor haar gezicht.

“Dat gejammer helpt je niets,” zei Blauwbaard. “Je moet sterven.” Hij greep haar met zijn ene hand bij haar haren vast en wilde haar met zijn zwaard onthoofden. De arme vrouw smeekte hem nog heel even te wachten. “Nee,” zei hij, “beveel je zelf in Gods liefde aan.” En bij die woorden wilde hij haar doden.

Op datzelfde ogenblik werd er zo hard op de deur gebonsd, dat Blauwbaard van schrik niet toe kon slaan. Met getrokken zwaarden stormden er twee ruiters naar binnen. Blauwbaard herkende de broers van zijn vrouw en hij holde meteen weg om zichzelf in veiligheid te brengen. Maar de broers achtervolgden hem en nog voordat hij bij de trap was, haalden zij hem in. Zij doorboorden hem met hun zwaarden en lieten hem dood liggen.

Zuster Anna die de trap oprent van de toren verbeeldt de kundalini-energie die vanaf het bekken opstijgt door de wervelkolom. De twee broers van de vrouw staan voor de twee energiebanen ida- en pingala-nadi, die langs de wervelkolom stromen. Als deze twee energiebanen ter hoogte van het voorhoofd versmelten, sterft het ego (Blauwbaard) en vindt het heilige huwelijk plaats: de mens wordt herenigd met zijn Schepper (de vrouw van Blauwbaard erft al zijn rijkdommen en huwt een andere man).
Het verhaal wordt vaak uitgelegd als een waarschuwing voor de gevolgen van nieuwsgierigheid, omdat alle narigheid begint nadat de vrouw van Blauwbaard een sleutel gebruikt waarvan haar man dit ten strengste had verboden: die van het kleine kamertje aan het einde van de gang op de benedenverdieping.

Dat de vrouw haar nieuwsgierigheid niet kan bedwingen is echter juist een positief aspect van het verhaal. De kamer aan het einde van de gang (wervelkolom) op de benedenverdieping (het bekken) is namelijk de plaats waar de kundalini-energie zit ‘opgesloten’. Het openen van deze kamer symboliseert het begin van een kundalini-ontwaken, en alle onverkwikkelijke zaken die daarna plaatsvinden zijn positieve beelden van een transformatieproces!

Conclusie

Willen wij God vinden, dan zullen wij onze gehechtheid aan materiële zaken en zintuiglijke bevrediging moeten loslaten. We zullen de wolf moeten zien zoals hij is, een gevaarlijk roofdier, en deze niet binnen laten in ons huis. Het ego zal plaats moeten maken voor Klein Duimpje. Geen geringe opgave, maar de sprookjes zijn unaniem over wat ons daarna wacht: een grote rijkdom en een lang en gelukkig leven!

Dit artikel is eerder verschenen in Paravisie magazine (september ’17)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
2018-08-09T14:47:36+00:00