/Anne-Marie Wegh

About Anne-Marie Wegh

De auteur van dit boek, Anne-Marie Wegh, woont en werkt in de veertiende-eeuwse Sint Bonifatiuskerk in Horssen. Hier begeleidt zij onder andere retraites. In haar boeken combineert zij haar kennis van beeldtaal in het algemeen en haar eigen spirituele ervaringen met de beeldtaal van de bijbel en die van andere wereldreligies.

Ecce Homo: zie de lijdende mens!

Ecce Homo: zie de lijdende mens!

De centrale boodschap van het Boeddhisme vinden we verrassend genoeg ook terug in de Bijbel: wie vasthoudt aan zijn ego gaat lijdend door het leven.

De evangeliën willen ons vertellen, verpakt in beeldtaal, hoe wij het goddelijke kunnen realiseren in onszelf. Hiervoor is een proces van zuivering en ontlediging nodig, waarbij het ego moet wijken. Dit verklaart waarom de details rondom het lijden en sterven van Jezus zo verschillen per evangelie. De schrijvers ervan hebben geen historisch verslag geschreven, maar hebben Jezus’ dood en verrijzenis gebruikt als metafoor voor het innerlijke sterven en het wedergeboren worden in God van de spirituele zoeker.

De crucifix als metafoor

Het beeld van de gekruisigde Christus is diep verankerd in onze westerse cultuur. Tot voor kort hing er in ieder rooms-katholiek huis wel een crucifix boven de deur of op een andere belangrijke plaats. Als metafoor heeft het houten kruis met de lijdende Jezus eraan een dubbele betekenis. Enerzijds is het een verbeelding van het ego dat moet sterven in degene die het Koninkrijk van God zoekt:

Toen zei Jezus tegen Zijn discipelen: Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen om Mij, die zal het vinden.(1)

Oftewel: wie net als Jezus ook het innerlijke Koninkrijk van God wil verwezenlijken, moet zichzelf verloochenen (zijn ego loslaten) en zijn kruis opnemen (de pijnlijke weg gaan van zuivering en ontlediging). Wie zijn oude leven (de oude mens, het ego) zal willen behouden, zal niet het eeuwige leven bij God verwerven. Wie echter bereid is zijn oude leven op te geven voor God, die zal Hem vinden.

De crucifix is ook een metafoor voor het goddelijke potentieel dat een gekruisigd bestaan leidt in de mens die gericht is op de materie. Een beeld op zielsniveau; een bloedende, lijdende Christus in ons.

Deze dubbele betekenis van de crucifix wordt het duidelijkste beschreven en toegelicht in het evangelie van Johannes. Voorafgaand aan de kruisiging speelt zich een hartverscheurende scène af, als Jezus wordt gegeseld en bespot door de soldaten. Deze passage bevat een belangrijke sleutel, niet alleen voor het begrijpen van de evangeliën, maar voor de gehele Bijbel.

Toen nam Pilatus dan Jezus en geselde Hem. En de soldaten vlochten een kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd, en zij deden Hem een purperen bovenkleed om, en zeiden: Gegroet, Koning van de Joden! En zij gaven Hem slagen in het gezicht. Pilatus dan kwam weer naar buiten en zei tegen hen: Zie, ik breng Hem tot u naar buiten, opdat u weet dat ik geen schuld in Hem vind. Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon op en het purperen bovenkleed aan. En Pilatus zei tegen hen: Zie, de Mens! Toen dan de overpriesters en de dienaars Hem zagen, schreeuwden zij: Kruisig Hem, Kruisig Hem!(2)

De Pilatus in ons

Pilatus is de gouverneur, de vertegenwoordiger van de Romeinen – de bezetters- in Jeruzalem. Hij vervult op het innerlijke niveau de rol van het ego, dat ook wordt gezien als een buitenstaander en een bezetter in de spiritueel onbewuste mens. Pilatus neemt Jezus en geselt hem, luidt de eerste zin van het bovenstaande citaat. De meeste lezers zullen dit niet letterlijk nemen, maar ervan uitgaan dat Pilatus opdracht geeft aan zijn soldaten om Jezus te geselen. Toch mogen we dit op het symbolische niveau nemen zoals het er staat.

Het ego (Pilatus) met zijn talrijke angsten en onvervulde verlangens zorgt voor veel pijn in de piekerende mens. Striemende, zelfkastijdende gedachten en snijdende, brandende emoties laten wonden achter op de ziel die vaak niet meer genezen en het hele verdere leven worden meegedragen. Ook de doornenkroon drukt dit uit: de mens die gepijnigd wordt door zijn eigen gedachtewereld.

Leven vanuit het ego is lijden, hierover zijn vrijwel alle spirituele tradities het eens. Desalniettemin waant het ego zich koning van het universum. Het stelt zichzelf en zijn verlangens centraal. ‘Hoe kan ik hier beter van worden’ is de vraag die het ego leidt op zijn weg door het leven. Wanneer het ego regeert in het hart, richt de mens zijn vermogen tot liefhebben op zichzelf. Zelfvoldaanheid, ijdelheid en egoïsme zijn het resultaat.

Een kijkje in de spiegel

Ecce Homo! Zie de Mens!, zegt Pilatus, als hij de gegeselde Jezus met doornenkroon en koningsmantel toont aan het publiek: zie de staat waarin de mensheid verkeert! Geslagen, verwond, geboeid. Een gevangene van het ego. Een bloedende en lijdende zelfverklaarde koning. Lijdend, omdat wij ons identificeren met wat vergankelijk is. Jezus staat hier model voor de mensheid. Dit is hoe God ons aantreft als wij op weg gaan om Hem te zoeken.

Kruisig Hem, kruisig Hem!, roept het publiek. De uitweg voor de mens uit het lijden is de kruisiging van het ego. Om te getuigen van deze waarheid is Jezus op de wereld gekomen, zegt hij: Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor. Pilatus zei tegen Hem: Wat is waarheid?(3)

En dan refereert Pilatus aan iets wat historici nooit in andere geschriften terug hebben kunnen vinden: dat het in die tijd de gewoonte was om tijdens het Pascha een gevangene vrij te laten.(4) Dit is zeer waarschijnlijk een verzonnen element in de evangeliën, dat dient om de kern van het spirituele proces duidelijk te maken. Als Pilatus namelijk vervolgens vraagt of hij Jezus zal vrijlaten, roepen de Joden: Niet Deze, maar Barabbas!.(5)

De bevrijding van de innerlijke Barabbas

De naam Barabbas betekent zoon van de vader. Jezus noemt God in de evangeliën Abba, het Aramese woord voor Vader. Voor ons wordt door middel van de naam van deze misdadiger duidelijk gemaakt dat degene die vrijgelaten moet wordende Zoon van de Vader, oftewel de (innerlijke) Christus, is! (In sommige handschriften van het evangelie van Mattheüs wordt zelfs gesteld dat Barabbas de voornaam Jezus had.)

De rollen zijn dus even omgedraaid in deze scène ten opzichte van de andere verhalen in de evangeliën waarin Jezus meestal het goddelijke vertegenwoordigt. De gegeselde Jezus staat hier symbool voor de mens die gevangen zit in de wereld van het ego. Deze moet gekruisigd worden. En Barabbas vertegenwoordigt – gebaseerd op zijn naam – het goddelijke in de mens. Deze moet bevrijd worden van zijn gevangenschap.

Wat is de waarheid?, laat de evangelist Pilatus vragen.(3) Om meteen daarna de roep om bevrijding van Barabbas en de kruisiging van Jezus te beschrijven. Dit is geen toeval. Dit is het antwoord op de vraag van Pilatus. Het kleine ik moet sterven om plaats te maken voor God.
Hierna volgt een kernzin die als het ware het hele evangelie samenvat. Voor de juiste vertaling moet je naar een Bijbel gaan die dicht bij de Griekse grondtekst blijft. Moderne vertalingen luiden namelijk meestal iets als:

‘Wij hebben een wet,’ antwoordden de Joden, ‘die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich heeft uitgegeven voor de Zoon van God.’ (Groot Nieuws Bijbel 1996) (6)

Letterlijk staat er echter dat Jezus moet sterven omdat huion theou heauton epoiēsen: omdat hij zichzelf Zoon van God heeft gemaakt. Jezus heeft God in zichzelf verwezenlijkt, is Zoon van God geworden, en daarom moet zijn kleine ik, zijn ego sterven.

De wedergeboorte

Elders in het evangelie van Johannes ligt Jezus dit proces van godsrealisatie toe in een opmerkelijk gesprek met de farizeeër Nicodemus  en noemt dit een wedergeboorte (zie kader). Niet alleen is deze passage een peiler geworden onder de christelijke leer, de spirituele zoeker krijgt hier tevens cruciale aanwijzingen van Jezus zelf over de innerlijke verwezenlijking van het Koninkrijk van God.

Het gesprek met Nicodemus

  1. En er was een mens uit de Farizeeën; zijn naam was Nicodemus, een leider van de Joden.
  2. Deze kwam ’s nachts naar Jezus en zei tegen Hem: Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan deze tekenen doen die U doet, als God niet met hem is.
  3. Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.
  4. Nicodemus zei tegen Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden?
  5. Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.
  6. Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.
  7. Verwonder u niet dat Ik tegen u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden.
  1. De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is.
  2. Nicodemus antwoordde en zei tegen Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren?
  3. Jezus antwoordde en zei tegen hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?
  4. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten en getuigen van wat Wij gezien hebben, en toch neemt u Ons getuigenis niet aan.
  5. Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?
  6. En niemand is opgevaren naar de hemel dan Hij Die uit de hemel neergedaald is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.
  7. En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden,
  8. opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

(Joh. 3:1-15)

In vers 5 lezen we: Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan. De betekenis hiervan is dat de mens eerst een reinigingsproces moet ondergaan, door inwerking van de Heilige Geest (of de kundalini-energie in de oosterse tradities), wil God zijn intrek kunnen nemen in ons.

Ter verduidelijking vervolgt Jezus in vers 8: De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is.

Hij legt hiermee uit waartoe het reinigingsproces door de Geest (kundalini) leidt. Hoe een wedergeboorte voelt. Het ego wordt ontdaan van al zijn overbodige ballast en vervuilingen. Het wordt ‘transparant’; schijnbaar afwezig. De wedergeboren mens ervaart slechts puur bewustzijn, zonder gedachten. Het persoonlijk verleden is verdwenen uit de gevoelswereld. Anderen ervaren deze persoon als egoloos; als ‘doorzichtig’, zoals de wind.

In het boek Jesaja benoemd God expliciet dit uitwissen van het persoonlijke verleden:

Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet meer gedacht worden,
ze zullen niet meer opkomen in het hart. (7)

Jezus zegt dat hij weet waarover hij het heeft en dat hij spreekt uit eigen ervaring (vers 11). Ook hij heeft dit proces van wedergeboorte doorgemaakt en zijn ego afgelegd. Wat hij zegt komt vanuit God en niet vanuit zijn ego.

Het gesprek lijkt een andere wending te nemen als Jezus in vers 14 zijn kruisiging aankondigt. Niets is echter minder waar. Ook deze woorden vormen een toelichting op het begrip wedergeboorte. Jezus geeft hiermee aan dat zijn kruisiging en verrijzenis, die hierna volgt, de geestelijke wedergeboorte symboliseren van de mens die zijn ego heeft afgelegd.

Jezus zelf bevestigt deze interpretatie, door in het vers waarin hij zijn kruisiging aankondigt, een verband te leggen met het verhaal van Mozes en de koperen slang: En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden…
Dit is een expliciete verwijzing naar een kundalini-ontwaken!

Mozes en de Koperen slang, en de transfiguratie van Jezus, Cristóbal de Villalpando, 1683

Mozes en de koperen slang

Tijdens hun veertigjarige reis door de woestijn krijgt het volk van Mozes te maken met gifslangen waarvan de beet dodelijk is. God geeft Mozes opdracht om een slang van koper te maken en deze op een paal te zetten. Wie naar de koperen slang kijkt nadat hij is gebeten, blijft in leven. (8)

Het Hebreeuws dat is vertaald met gifslangen –nachash saraph– betekent letterlijk brandende (vurige) slangen. Deze slangen van vuur verbeelden de kundalini -energie. Het verhaal laat zien wat de gevolgen zijn als de goddelijke energie in het bekken wordt aangewend voor de verlangens van de (onder)buik; voor zintuiglijke bevrediging en oppervlakkige pleziertjes.

Als ‘de vurige slang’, na het ontwaken, niet omhoog wordt geleid, maar blijft hangen in het bekken en hier de buik ‘in brand’ zet (‘branden van verlangen’), werkt deze als een dodelijk gif voor de ziel. De mens sterft in spiritueel opzicht. Wordt de slang echter omhoog geleid door de wervelkolom (‘op een paal gezet’) dan blijft de mens ‘leven’.

Met zijn uitspraak dat hij verhoogd moet zoals Mozes de slang heeft verhoogd, wil Jezus ons laten weten dat wij zijn kruisiging moeten zien als een verbeelding van een kundalini-ontwaken. Hij zal dit innerlijke proces van godsrealisatie fysiek tot uitdrukking brengen. Hij zal voor de ogen van de hele wereld het sterven van het ego en de innerlijke ‘opstanding’ zichtbaar maken. Een gruwelijk schouwspel waarvan je je onwillekeurig afvraagt of wij deze spirituele les niet op een andere wijze gepresenteerd hadden kunnen krijgen.

Het onmenselijke lijden en sterven van Jezus heeft in ieder geval zijn uitwerking niet gemist. Het heeft diepe sporen getrokken in ons collectieve bewustzijn en van het christendom een wereldreligie gemaakt.

De verdwijning van Enoch

Onzichtbaar worden, net als de wind, kent een prachtige parallel in het Oude testament: Henoch leidt een vroom leven, tot hij na 365 jaar door God wordt ‘weggenomen’. Het verhaal over Henoch beslaat slechts vier verzen in het boek Genesis:

Henoch leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Methusalach.
En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.
Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God nam hem weg.(9)

De ontlediging die nodig is om het Koninkrijk van God te verwerven kan de mens niet op eigen kracht tot stand brengen. Het ego kan niet zichzelf laten verdwijnen. Hiervoor is een zuiveringsproces nodig door Gods Geest. God ‘neemt ons weg’ als wij onszelf hiervoor waardig maken door een aan God toegewijd leven (de naam Henoch betekenttoegewijd).

Dit klinkt ook door in de brief van de apostel Paulus aan zijn medewerker Titus, waarin hij spreekt over het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest:

Maar toen de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, maakte Hij ons zalig, niet op grond van de werken van rechtvaardigheiddie wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest.(10)

Voor een wedergeboorte en ‘zaligmaking’ zijn wij afhankelijk van Gods genade. Dit is een boodschap die op weerstand stuit bij het ego, dat liever spirituele vorderingen beschouwt als een persoonlijke prestatie en er graag status aan ontleent. Hoogmoed is een valkuil waarin menig spiritueel zoeker belandt.

Wat nodig is voor deze weg, wordt prachtig samengevat door Jezus in zijn Bergrede: een klein ego (‘arm zijn van geest’), zachtmoedigheid, barmhartigheid en een zuiver hart.(11)

Noten: (1) Matt. 16:24-25, (2) Joh. 19:1-6, (3) Joh. 18:37-38, (4) Joh. 18:39, (5) Joh. 18:40, (6) Joh. 19:7, (7) Jesaja 65:17, (8) Numeri 21:4-9, (9) Gen. 5:21-24, (10) Titus 3:4-5, (11) Matt. 5:1-7

Dit artikel is gepubliceerd in Mantra magazine (lente ’18)
Copyright Anne-Marie Wegh 2018

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)

Anne-Marie Wegh schrijft boeken over de symboliek in de Bijbel, waaronder Ecce Homo, de beeldtaal van de Bijbel.

By | 2018-09-27T09:10:05+00:00 juli 5th, 2018|Mantra|Reacties uitgeschakeld voor Ecce Homo: zie de lijdende mens!

De innerlijke draak getemd

De innerlijke draak getemd

Een draak is een mythisch wezen dat we in legendes en volksverhalen over de hele wereld terugvinden. Zoals veel andere mythische dieren, verbeeldt de draak krachten die we tegen komen als we op reis gaan in onze binnenwereld. Wie heilig wil worden zal eerst, net als Sint Joris en de heilige Margaretha, de confrontatie aan moeten met het vuurspuwende monster in zichzelf!

De slang in ons bekken

Om te begrijpen waar de draak voor staat, moeten we eerst inzicht krijgen in het spirituele proces dat nodig is om het goddelijke te verwezenlijken: het proces van kundalini-ontwaken. In ons bekken, ter hoogte van het heiligbeen (!), sluimert een energiebron van goddelijke oorsprong die in veel tradities wordt verbeeld als een (opgerolde, slapende) slang. De oosterse tradities noemen deze krachtbron de kundalini-shakti, het christendom spreekt over de Heilige Geest. Een groot verlangen naar God doet deze ‘slang’ ontwaken, waarna zij opstijgt door de wervelkolom naar de kruin. Op weg naar het zevende chakra worden de andere chakra’s, en daarmee de gehele mens, door de goddelijke energie gezuiverd van alles wat ons verhindert om God te ervaren.

Dat een slang, symbolisch gezien, zowel een positieve als een negatieve betekenis kan hebben, heeft te maken met de fases en valkuilen van het kundalini-proces. Als deze energie niet opstijgt, maar in de buik de onderste chakra’s voedt, is het de slang die verleidt en aanzet tot het ‘kwade’, zoals bij Adam en Eva. Opgestegen en verbonden met de hogere chakra’s stelt deze energie de mens in staat om het goddelijke te ervaren en zich ermee te verenigen.

De innerlijke draak

Het woord draak komt van het Griekse drakon (Latijn: draco), dat slang betekent. De draak staat in de westerse tradities voor de kundalini-slang die nog in de buik verblijft. Iedere Godzoeker moet vroeger of later de strijd met de draak in zichzelf aangaan; een langdurig gevecht met de verlokkingen van de materie en de schaduwaspecten van de psyche die zich bevinden in het onderbewuste. De zwaarste strijd moet vaak worden geleverd met de seksuele verlangens.

De rauwe oerenergie in het bekken moet worden uitgezuiverd en ten dienste komen van de hogere natuur. Dan wordt de draak een voertuig voor de mens om te kunnen reizen naar de werelden van het goddelijke. We zien dit beeld terug in het taoïsme waar het staan of rijden op een draak verwijst naar verlichting. Een oude Chinese wijsheid luidt:

Als je de draak negeert, zal hij je opeten. Als je met de draak gaat vechten, zal hij je opeten als je moe wordt en gaat rusten. Als je de draak berijdt, kan je gebruik maken van zijn macht en kracht.

Opgegeten, of gedood, worden door de draak staat voor spirituele onbewustheid: een leven in het teken van genotzucht en egoïsme.

De draak als bewaker

In legendes, mythes en sprookjes heeft de draak vaak een grot als verblijf. Soms bewaakt hij een schat of houdt hij een prinses gevangen. Deze grot is het bekken van de mens, met daarin de goddelijke energie als schat. Wie deze schat wil bemachtigen zal eerst de draak moeten overwinnen.
In de Griekse mythe van Jason en de Argonouten, bijvoorbeeld, bewaakte een nooit slapende draak het Gulden Vlies. En de oppergod Zeus bezat een grot met een heilige waterbron die bewaakt werd door een woeste draak.
Als er een prinses in het spel is, volgt na het verslaan van de draak meestal een huwelijk. Deze vreugdevolle gebeurtenis staat voor het heilige huwelijk: de innerlijke versmelting tussen het mannelijke en het vrouwelijke in de mens.

Sint Joris en de draak

In de legende van Sint Joris dreigt een koningsdochter geofferd te worden aan een draak. De toevallig passerende Joris schiet te hulp. Met het teken van het kruis, en na gebed, weet hij de draak met zijn zwaard te verwonden. Hij geeft de prinses opdracht om haar gordel om de nek van de draak te binden. Het monster volgt haar daarna gedwee terug naar de stad.

De gordel – een riem om de buik – symboliseert het beteugelen van de seksuele energie. De draak wordt niet gedood door Joris, maar ‘aangelijnd’ met een gordel, waarna hij doet wat de prinses wil. Een prachtig beeld dat de kern van onze opdracht weergeeft. De (seksuele) krachten waar de draak voor staat moeten niet worden ‘gedood’, maar er moet meesterschap over verkregen worden.

In het evangelie van Lucas beveelt Jezus zijn toehoorders aan:

Laten uw lendenen omgord zijn en de lampen brandend (Lucas 12:35).

Wat hij hiermee bedoelt is: bewaar je seksuele energie voor God. Laat deze energie niet afvloeien via de onderbuik (omgord de lendenen), maar gebruik deze om de chakra’s (lampen) te voeden (te laten branden).

Het kruis en het gebed dat Joris inzet om de draak te overwinnen, staan voor het gericht zijn op God. Door je verlangens te richten op het hogere, verliest de draak zijn macht. Vanuit de goddelijke wereld zul je ook kracht en steun ervaren om deze weg te gaan.

Ook het slot van het verhaal is veelbetekenend. Uit blijdschap dat zijn dochter is gered laat de koning een kerk bouwen. Volgens de legende borrelde er op het altaar een bron van levend water op. Dit symboliseert de kundalini-energie die opstijgt naar de kruin, nu de draak is overwonnen.

De aartsengel Sint Michael in gevecht met de draak door Josse Lieferinxe

De heilige Margaretha en de draak

Ook heilige Margaretha overwon een draak. Over haar zijn verschillende legendes in omloop. Volgens één versie wordt zij in haar cel bezocht door de duivel in de vorm van een draak die haar wil verslinden. Door het maken van het kruisteken verdwijnt het monster. Er is ook een variant waarbij zij haar ceintuur gebruikt om de draak meester te worden.

De diepere betekenis van de draak kunnen we terugvinden in boekillustraties en schilderijen uit de late Middeleeuwen en de Renaissance. Vaak verhuld, omdat deze esoterische (lees: heidense) kennis niet openlijk kon worden gecommuniceerd.

Een sprekend voorbeeld is het schilderij van Josse Lieferinxe uit 1490, waarop we de aartsengel Sint Michael zien in gevecht met de draak. Dat dit een verbeelding is van de innerlijke strijd in de mens tussen zijn hogere, goddelijke natuur en zijn dierlijke, seksuele verlangens, mogen we afleiden uit de poot van de draak die in het kruis van de engel staat.

Een esoterisch teken dat we veel terug zien in schilderijen met verborgen symboliek is het handgebaar van twee opgestoken vingers (de 2=1-code). Dit gebaar symboliseert het heilige huwelijk: het versmelten van het innerlijk mannelijke en vrouwelijke tot een eenheid. Het eindstadium van het proces van godsrealisatie.

Twee voorbeelden hiervan zijn het schilderij van Sint Michael door Bartolomeo Della Gatta (1480) en het schilderij van de heilige Margaretha door Joan Reixach (circa 1456). De onderliggende boodschap is: het heilige huwelijk heeft plaatsgevonden, de draak is overwonnen!

Een ander voorbeeld van esoterische symboliek is het schilderij van de heilige Margaretha door Rafaël (1518). Deze bekende schilder heeft een voor die tijd heel gewaagde manier bedacht om uit te drukken dat de draak staat voor de seksuele verlangens van de heilige zelf. Zijn draak ziet er anders uit dan die van zijn collega’s: het angstwekkende beest lijkt nog het meest op een gigantische worm. De opengesperde muil van het dier is onmiskenbaar een vrouwelijk geslachtsdeel.

De heilige Margaretha door Joan Reixach

Aartsengel St. Michaël door Bartolomeo Della Gatta

De heilige Margaretha door Rafaël

Tot slot

Met seksualiteit is niets mis. Wie echter kiest voor de weg naar God zal deze oerenergie moeten bewaren en transformeren. Omgevormd, wordt de woeste draak tot een rijdier dat je kan brengen naar de poorten van het Koninkrijk van God.

Een omvorming van de draak zien we ook terug in het Magnum Opus van de alchemist. Op deze afbeelding zien we de glazen kolf waarin de alchemist in zijn laboratorium (de energie van) de draak transformeert. De zwarte, witte en rode kop van de draak staan voor de drie fases van het alchemistische proces: nigredo, albedo en rubido. Het kroontje staat voor sublimatie (vergoddelijking). De glazen kolf staat symbool voor de alchemist zelf.

Dit artikel is gepubliceerd in Paravisie magazine (augustus ’18)
Copyright Anne-Marie Wegh 2018

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)

Anne-Marie Wegh is auteur van o.a. het boek Kundalini-ontwaken.

By | 2018-11-26T18:46:33+00:00 mei 13th, 2018|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor De innerlijke draak getemd

Zijn we niet allemaal een beetje verlamd? (interview)

Zijn we niet allemaal een beetje verlamd?

Anne-Marie Wegh schreef het boek Ecce Homo, waarin ze verhalen uit de bijbel verklaart met behulp van droomsymboliek. Dat nog maar 28 procent van de 15- tot 25-jarigen zich tot een christelijke groepering rekent, en een ontkerkelijkt deel zich liever stort op het boeddhisme, begrijpt ze wel.

“Het beeld van een serene boeddha onder een boom is voor veel jonge mensen misschien aantrekkelijker dan een man die aan het kruis hangt. Het christendom, dat is voor vele jongeren een leer met voornamelijk ge- en verboden. Iets om maar liever te mijden. Ik begrijp het, maar ik vind het ook vreselijk jammer. Want in de bijbel staan prachtige verhalen vol hedendaagse wijsheden. Het gaat niet om een streng figuur met een baard in een wit gewaad, die in de gaten houdt wat we doen. Het gaat niet om de ‘supermens’ Jezus, waarmee we ons onmogelijk kunnen meten. Zodat we daar niet eens aan beginnen. Nee, de verhalen gaan over ons, over jou en mij, over de zoektocht naar innerlijke rust en vrede.

Toen ik ontdekte dat in de bijbel droomsymboliek wordt gebruikt, de taal van het onderbewuste, zag ik dat de boodschap in elke religie, of dat het christendom, hindoeïsme, boeddhisme, jodendom of islam is, uiteindelijk hetzelfde luidt: door jezelf te zuiveren, door oude pijn onder ogen te zien, kun je de plek bereiken die iedereen al in zich heeft, de plek waar het altijd vredig en rustig is.”

Koninkrijk

“Dát is wat de bijbel het Koninkrijk Gods noemt; geen hiernamaals waar je lang op moet wachten, maar een bron van rust en stilte binnen in ons. Ik krijg nog kippenvel als ik er aan denk. Wát een rijkdom aan wijsheid ontvouwde zich voor mijn ogen!

Eigenlijk is het logisch dat je de verhalen niet letterlijk maar symbolisch moet lezen. Neem het verhaal van de verlamde man die bij Jezus wordt gebracht.

Bijbeltekst:
Er kwamen ook enigen naar Hem toe, die een verlamde brachten, door vier mannen gedragen. En omdat zij niet bij hem konden komen, vanwege de menigte, verwijderden zij de dakbedekking boven de plaats waar Hij was; en nadat zij het dak opengebroken hadden, lieten zij de ligmat waarop de verlamde lag, neer. En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: ‘Zoon, uw zonden zijn u vergeven.’ […] Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u: Sta op, neem uw ligmat op en ga naar uw huis.’ En hij stond meteen op, en nadat hij de ligmat opgenomen had, ging hij voor het oog van allen naar buiten, zodat zij allen buiten zichzelf waren en God verheerlijkten en zeiden: ‘Wij hebben nog nooit zoiets gezien!’

(Marcus 2, Herziene Statenvertaling 2010)

Die verlamde man kan niet bij Jezus binnen komen omdat er allemaal mensen voor het huis staan. Dus dan breken ze het dak maar open? Ze kunnen Jezus toch naar buiten kunnen roepen? Alsof het zo gemakkelijk is een dak open te breken, los van de vraag of ze de juiste gereedschappen bij zich hebben. Door dit soort details voel je: dit verhaal moet iets anders betekenen.

De lamme man staat voor iemand die in spiritueel opzicht ‘verlamd’ is, die afgedwaald is van waar het om gaat in het leven, die nog geen innerlijke rust en vrede heeft gevonden. In andere verhalen is het ook wel een dove of een blinde, soms iemand die ‘slaapt’ of zelfs dood is. De verlamde man richt zich volledig op materiële zaken en dus op de buitenwereld. Hij besteedt geen aandacht aan zijn binnenwereld. Hij jaagt zijn pleziertjes na.

Het is ongelooflijk hoe actueel een verhaal van tweeduizend jaar oud is. Je zou verwachten dat de mensen in die tijd landbouw bedrijven en vissen, zonder alle stress van vandaag de dag. Niet dus, net als nu zaten de meesten gewoon vast in hun denken. Wij maken dan wel meer ruimte voor ‘voelen’, maar met als gevolg dat we ‘zoveel mogelijk moeten genieten’. Daarin vind je niet het geluk.

Prikkels

“Elk moment van genieten houdt namelijk een keer op, en dan moet je op zoek naar nieuw genot. We raken de hele dag overvoerd met prikkels, en uiteindelijk maakt die genotszucht ons lam. Innerlijke rust en vrede, los van wat er buiten je gebeurt; daarnaar zijn we eigenlijk op zoek. Daarover gaat elk verhaal in de bijbel.

Voor het huis waarin Jezus zich bevindt, staat een grote menigte die de lamme man de doorgang belemmert. In de droomsymboliek is een huis altijd een ik-symbool. Droom je over een huis, dan droom je over jezelf. De lamme kan dus niet bij de vredige plek in zichzelf komen (dat is Jezus, die niet kan worden bereikt), door de drukte en afleiding in zijn hoofd, gesymboliseerd door alle mensen die voor het huis staan.”

Vergeef

“Prestatiezucht, zorgen, oude pijn, zaken waarvoor je je schaamt, maar ook alle prikkels van sociale media; alle staan ze innerlijke rust vinden in de weg. Er is een rigoureuze ingreep nodig: het dak moet worden opengebroken. Oftewel: je moet bereid zijn je blik te verruimen, langs die menigte in je hoofd zien te komen. Als de lamme man bij Jezus is, vergeeft deze hem zijn zonden. Kortom, laat het verleden rusten. Schaam je niet voor wat je hebt gedaan, vergeef jezelf. Kijk naar het nu.

Het is een prachtig hoopgevend verhaal. Als het verleden en de drukte in zijn hoofd de verlamde man niet langer in de weg staan, kan hij zijn mat oppakken en weglopen. Er gaat een nieuwe wereld voor hem open. Ga maar na: als je niet kunt lopen is je directe omgeving beperkt. Ineens kan hij gaan en staan waar hij wil. Dat is de innerlijke vrijheid die je ervaart als je jezelf losmaakt van allerlei denkbeelden en oordelen.

Vanaf dat moment kun je het leven ervaren als rijkdom, elk moment opnieuw. Vergeet dus de kerststress. Het gevoel van innerlijke rust en vrede, ís er al, diep in ons. Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen. Dát proberen de wonderen in de bijbel ons te vertellen.”

Interview met A-M, gepubliceerd in:
De Gelderlander, De Stentor, Brabants Dagblad, BN DeStem, Eindhovens Dagblad, Provinciaal Zeeuwse Courant en De Twentsche Courant/Tubantia

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-02-06T09:39:01+00:00 februari 5th, 2018|Krant|Reacties uitgeschakeld voor Zijn we niet allemaal een beetje verlamd? (interview)

Pijnappelklier, de sleutel tot spiritueel ontwaken

Pijnappelklier, de sleutel tot spiritueel ontwaken

De pijnappelklier, of epifyse, is een orgaantje ter grootte van een rijstkorrel, precies in het midden van ons hoofd, tussen de twee hersenhelften in. Het is met veel mysterie omgeven. Een aantal van zijn functies zijn bekend, maar niet alles is door de wetenschap al in kaart gebracht. EEG’s zijn niet mogelijk door zijn diepe ligging in ons hoofd, wat onderzoek bemoeilijkt. Spirituele zoekers hebben echter millennia geleden al, zonder EEG’s, ontdekt welke functie de pijnappelklier nog meer vervult. Over de hele wereld vinden we in oude beschavingen aanwijzingen terug dat de pijnappelklier werd gezien als de sleutel tot spiritueel ontwaken.

Interessant is dat deze vermeende functie heel dicht ligt bij wat de wetenschap wel weet over de pijnappelklier, namelijk dat hij middels afgifte van het hormoon melatonine invloed heeft op ons bioritme: op slapen en ontwaken op het fysieke niveau.

Wat onderzoekers tevens hebben ontdekt is dat dit kliertje lichtontvangende cellen bevat, die ook in onze ogen aanwezig zijn. Welke functie hebben deze cellen midden in het hoofd, waar licht helemaal niet kan doordringen? Sommige evolutionaire biologen gaan ervan uit dat de pijnappelklier een zogenaamd rudimentair oog is; dat het ooit aan de buitenkant van het hoofd heeft gezeten en toen de functie heeft gehad van een echt oog. Een theorie die bij bijvoorbeeld reptielen aannemelijk zou zijn, maar bij mensen?

De spirituele theorie is dat de pijnappelklier fungeert als een soort innerlijke antenne die fijnstoffelijke energieën (subtielere vormen van licht) kan opvangen en hierop reageert met de productie van DMT, een opiaatachtige stof, familie van het hormoon serotonine, dat zich bijvoorbeeld ook bevindt in de momenteel zo populaire hallucinogene drank ayahuasca.

Amrita, de drank der onsterfelijkheid

De energiebron die deze spirituele functie van de pijnappelklier aanstuurt is de kundalini-energie. Als deze ontwaakt in het bekken en opstijgt door de wervelkolom, verricht zij eerst een voorbereidende zuivering in de mens. Na een aantal jaar bij het voorhoofd aangekomen, activeert zij de pijnappelklier, die op haar beurt weer de hypothalamus en de hypofyse stimuleert om hormonen aan te maken. De stoffen die hiermee vrijkomen in de hersenen zorgen voor een ervaring van extase, tijdloosheid en eenheid.

De yogatraditie noemt deze toevloed van hormonen en opiaatachtigen amrita, de drank der onsterfelijkheid. Tijdens dit proces ontstaat er een overdruk in de hersenen en kan er vocht via een opening in de neusholte achter in de keel komen. Dit hersenvocht is zoet (honingachtig) van smaak. In de godenmythes van onder andere de hindoes, de Grieken en de Noorse traditie, vinden we verwijzingen terug naar een mysterieuze honingdrank of nectar, die zorgt voor de onsterfelijkheid van de goden.

Fontein der Eeuwige Jeugd

Vanaf de puberteit begint de pijnappelklier langzaam te verkalken, waardoor veroudering van het lichaam optreedt. Tijdens het proces van ontwaken vertraagt de verkalking van de pijnappelklier, en de stoffen die door de hypofyse worden afgegeven aan het bloed zorgen voor een algehele vitalisering en verjonging van het lichaam. Dit opmerkelijke proces heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van de mythe van de Fontein der Eeuwige Jeugd. Een fontein die zich dus niet ergens in de buitenwereld bevindt, maar in ons hoofd!

Illustratie: In de iconografie van het hindoeïsme kunnen we verwijzingen naar amrita onder andere terugvinden in het traditionele fonteintje op het hoofd van de god Shiva en de pot met nectar waarmee goden regelmatig worden afgebeeld.

Godsrealisatie

Op het energetische niveau worden tijdens dit ontwaken het zesde chakra – oftewel het derde oog – en het zevende chakra geopend: de vereniging van de mens met zijn Schepper vindt plaats.
Als er één cultuur is waarvan we met zekerheid kunnen zeggen dat deze diepgaande kennis bezat over dit proces van godsrealisatie dan is het wel die van het Oude Egypte. Vrijwel alles wat wij nu nog weten en is overgebleven van deze hoogstaande beschaving is doortrokken van symboliek die verwijst naar de mogelijkheid van de mens om onsterfelijk te worden.

Piramide van Cheops

De beroemde piramide van Cheops maakt duidelijk dat de Egyptenaren zich ook zeer bewust waren van de belangrijke rol van de hersenen in het proces van spiritueel ontwaken. Deze piramide, ook wel genoemd de piramide van Khufu of de Grote Piramide, maakt deel uit van een complex van drie grote en zes kleine piramiden, op het plateau van Gizeh aan de oever van de rivier de Nijl bij Cairo in Egypte. De imposante bouwwerken zijn met veel mysterie omgeven. Er zijn talrijke theorieën in omloop over hoe en wanneer ze zijn gebouwd (vermoedelijk rond 2500 voor Christus). En waarom? Wat is hun functie?

Een gangbare opvatting is dat het begraafplaatsen zijn voor belangrijke personen (farao’s). Maar met name aan de piramide van Cheops wordt ook een heel andere functie toegeschreven: die van initiatie- of inwijdingstempel. Welke aanwijzingen zijn hiervoor? Ten eerste zijn er geen resten gevonden van een begrafenis. Wel een open sarcofaag, maar geen mummie of begrafenisschatten. Ook geen hiërogliefen (inscripties) die verwijzen naar een begrafenis.

Er zijn meerdere bouwkundige aspecten die uitgelegd kunnen worden als transformatiesymboliek. Zoals het vierkante grondvlak van een piramide, dat omhoog loopt naar één punt. Symbool voor het aardse (vier) dat getransformeerd wordt naar het goddelijke (een). Het woord piramide stamt af van het Griekse pyramos. Pyr betekent vuur. Een verwijzing naar het kundalini-vuur: de goddelijke energie die de drijvende kracht is achter het hele proces.

Illustratie: Doorsnede van de piramide van Cheops

Maar het overtuigendste is de doorsnede van het gebouw met daarin de koningskamer, de grote galerij en de koninginnekamer. Als we de piramide zien als het hoofd van een mens, dan ligt de koningskamer precies op de plaats van de pijnappelklier, de koninginnekamer op de plaats van de hypofyse en de grote galerij op de plaats van de (hypo)thalamus!

Horusoog

Een ander sprekend voorbeeld uit het Oude Egypte is het Horusoog. Egyptologen zijn het niet eens over de herkomst en betekenis van dit, onder andere als amulet gebruikte, bekende symbool. Wie het Horusoog echter naast een doorsnede van de hersenen legt, komt tot de verassende ontdekking dat het een gestileerde weergave is van het midden van onze hersenen. Herkenbaar zijn het corpus callosum, de hypofyse, de (hypo)thalamus, en het ruggemerg.

Illustratie: Het egyptische Horusoog in vergelijking met een deel van onze hersenen.

Dennenappel

De pijnappelklier heeft qua vorm wel iets weg van een pijnappel (dennenappel), vandaar zijn naam. De dennenappel is als symbool, verwijzend naar spiritueel ontwaken, in vele tradities terug te vinden. Opmerkelijk genoeg ook in de christelijke schilderkunst. Echter zodanig verwerkt dat de opdrachtgevers van een schilderij (meestal de kerk) dit niet hebben herkend als ‘heidense’ symboliek.

Er zijn door de eeuwen heen altijd vrije geesten, kunstenaars en mystici geweest die wisten dat Jezus niet was geboren als de Zoon van God, zoals de dogma’s van de kerk voorschrijven. Hij was een gewoon mens, net als wij, die na het bovenstaande proces van spiritueel ontwaken leefde vanuit God, die hij zijn Vader noemde. Wat in die tijd niet openlijk kon worden gecommuniceerd, spreekt nu tot ons via talloze schilderijen uit de renaissance en erna.

Zelf refereert Jezus indirect aan de pijnappelklier in de evangeliën:

De lamp van het lichaam is het oog. Wanneer dan uw oog oprecht is, is ook heel uw lichaam verlicht; maar als het kwaadaardig is, is ook heel uw lichaam duister.
Zie er dus op toe, dat het licht dat in u is, geen duisternis is.
Als dus uw lichaam helemaal licht is, en geen enkel deel ervan duister is, zal het net zo geheel licht zijn als wanneer de lamp het met zijn schijnsel verlicht.

(Lucas 11:34-36)

Jezus noemt hier het derde oog ‘de lamp van het lichaam’. Als het derde oog is geopend, door de activering van de pijnappelklier, wordt heel het lichaam van binnenuit verlicht. Het wordt tijdens het proces van ontwaken letterlijk steeds lichter achter je gesloten ogen. Jezus waarschuwt ons om zuiver te leven, zodat dit innerlijke licht niet wordt gedoofd.

Het Bijbelboek Openbaring benoemt ook dit innerlijke licht in het volgende citaat:

… en zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofd zijn.
En daar zal geen nacht zijn, en zij hebben geen lamp en ook geen zonlicht nodig, want de Heere God verlicht hen. En zij zullen als koningen regeren in alle eeuwigheid.

(Openb. 22:3-5)

Onthechting

Het derde oog gaat open bij wie bereid is zijn andere twee ogen te sluiten. Oftewel, voor het volbrengen van het proces van godsrealisatie moet het aardse worden losgelaten. Onthechting is de enige weg.

Verborgen kennis in de kunst

Klik op de afbeelding voor een uitvergroting

Giovanni Antonio Boltraffio, Madonna met Kind, 1480, Museum Poldi Pezzoli, Milaan.

Dennenappels op de kleding van de Madonna.

Matteo di Giovanni, Madonna met Kind, heiligen en engelen, ca. 1465, National Gallery of Art, Washington D.C.

Dennenappelmotief op de kleding van de Madonna.

Hans Memling, Madonna en Kind met heiligen en donateurs, ca. 1485, Museum het Louvre, Parijs.

Dennenappels op het kleed achter de Madonna en naast het hoofd van het Kind.

Dit artikel is gepubliceerd in Paravisie magazine (december ’17)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-08-09T15:01:11+00:00 december 1st, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor Pijnappelklier, de sleutel tot spiritueel ontwaken

Sneeuwwitje en de zeven chakra’s

Sneeuwwitje en de zeven chakra’s

Niet veel mensen beseffen dat de verhaaltjes voor het slapen gaan, die we als kind kregen voorgelezen, ons eigenlijk wakker willen maken. Sneeuwwitje, Assepoester, Doornroosje en Roodkapje, al die eeuwenoude sprookjes zijn metaforen voor een spiritueel ontwaken. De arme wees met de boze stiefmoeder, de prins en de prinses zonder koninkrijk, het verdwaalde kind in het donkere bos, dat zijn wij. En al deze verhalen willen ons leren wat de weg terug is naar ons eigenlijke thuis, naar God.

Nog minder mensen realiseren zich dat de symboliek in deze sprookjes veelal verwijst naar de kundalini-energie, de mysterieuze bron van oerkracht die ‘sluimert’ in ons bekken, en die heden ten dage vooral wordt geassocieerd met oosterse tradities. Maar ook in onze westerse mythes, legendes en oude volksvertellingen, zit vaak kundalini-symboliek verborgen.

Laten we, als voorbeeld, kijken naar een sprookje dat iedereen kent: Sneeuwwitje. Haar naam verwijst naar de werking van de kundalini-energie: een zuivering van de mens op het niveau van lichaam, geest en emoties. Alleen met een rein hart kunnen wij door de poorten van het Koninkrijk van God.

De boze stiefmoeder

Als Sneeuwwitje wordt geboren, sterft haar moeder, de koningin. Haar vader hertrouwt met een valse vrouw die jaloers is op de schoonheid van Sneeuwwitje. Ze beraamt een plan om haar te doden. De ‘boze stiefmoeder’ komt in veel sprookjes voor. Zij staat voor ‘de materie’, die onze echte ‘moeder’ niet is. Interessant in dit verband is dat het woord materie ook is afgeleid is van mater, het Latijnse woord voor moeder. Onze echte thuis is in de goddelijke dimensies. De mens die incarneert op aarde is als een ‘weeskind’, in de macht van een ‘stiefmoeder’ die haar eigen (egoïstische) agenda erop nahoudt.

De zeven dwergen

De valse koningin geeft een jager de opdracht om Sneeuwwitje te doden. Hij kan dit echter niet over zijn hart verkrijgen en hij laat haar achter in het donkere bos. Moederziel alleen doolt zij rond, totdat zij het huisje vindt van de zeven dwergen:

Daar opeens zag ze een klein huisje; ze wilde erin gaan om uit te rusten. Alles in ’t huisje was klein, maar sierlijk en keurig; het is niet te zeggen hoe keurig. En er stond een wit gedekt tafeltje, met zeven kleine bordjes, en bij elk bordje een klein lepeltje, en zeven mesjes, en vorkjes en ook zeven bekertjes. Tegen de wand stonden er zeven bedjes naast elkaar, opgemaakt met sneeuwwit beddengoed. En omdat Sneeuwwitje hongerig en dorstig was, at ze van alle zeven bordjes een beetje groente en een beetje brood en dronk uit ieder bekertje een teugje wijn, want ze wilde niet van één alles wegnemen. Daarna – ze was zo moe – probeerde ze een bedje, maar geen van de bedjes paste, het ene te lang en het andere te kort, maar eindelijk, het zevende paste; daarin bleef ze liggen, deed haar gebedje en sliep in.

De zeven dwergen staan voor de zeven belangrijkste chakra’s van ons lichaam. Sneeuwwitje die eet van alle zeven bordjes en bekertjes is een beeld van de kundalini-energie die door onze wervelkolom langs deze zeven chakra’s stroomt. De ronde vorm van borden en bekers correspondeert prachtig met de ‘wiel-vorm’ van chakra’s. Dan laat het sprookje zien hoe de kundalini zich terugtrekt in het bekken, bij het onderste chakra. Dit is het zevende bedje waarin Sneeuwwitje gaat slapen.

Ze mag bij de dwergen blijven wonen en in ruil daarvoor maakt zij hun huisje schoon (kundalini-zuivering), als zij overdag de bergen in gaan om goud (lees: God) te delven. Maar lang duurt haar rust niet. De valse koningin hoort dat Sneeuwwitje nog leeft en gaat op pad om haar alsnog te doden. Het verhaal leert ons nu dat ijdelheid – een van de eigenschappen van het ego – de kundalini ‘slapend’ houdt. Wie gericht is op zichzelf en op de verlokkingen van de materie, krijgt geen toegang tot het goddelijke.

De giftige appel

Verkleed als een verkoopster verleidt de koningin Sneeuwwitje om een ceintuur van haar te kopen, die ze vervolgens zo strak vastsnoert (‘slank willen zijn’) dat haar de adem wordt benomen en zij ‘als dood’ ter aarde stort. De dwergen brengen haar bij thuiskomst echter weer tot leven door de ceintuur los te maken. Daarna probeert de koningin het met een giftige kam (‘mooi willen zijn’), die Sneeuwwitje bewusteloos doet neervallen. Ook nu lukt het de dwergen weer om het meisje bij kennis te brengen. De derde keer slaagt de valse stiefmoeder wel in haar opzet met een giftige appel:

‘Van buiten was hij prachtig, geelwit met rode wangen. Wie ernaar keek, kreeg er trek in. Maar wie er een klein stukje van zou eten – die moest sterven.’

De appel verwijst naar het Bijbelverhaal van Adam en Eva. Deze ‘verboden vrucht’ symboliseert de zintuiglijke verleidingen van ‘de wereld’. Adam en Eva worden na het eten ervan verdreven uit het paradijs (lees: de verbinding met het goddelijke wordt verbroken).

De glazen kist

De dwergen leggen de (schijn)dode Sneeuwwitje in een glazen kist:

‘Zo lag Sneeuwwitje lange, lange tijd in de kist en ze veranderde niet, maar het leek of ze sliep.’

Het goddelijke leidt in de meeste mensen weliswaar een slapend bestaan, maar kan nooit sterven, zegt dit beeld. In ons bekken, bij het heilig been, wacht de kundalini geduldig tot de spirituele zoeker er klaar voor is om een langdurige weg van zuivering en heling te gaan. Zij ontwaakt vanzelf in eenieder die een op God gericht leven leidt, ongeacht zijn of haar religieuze overtuiging of cultuur, om te helpen de juiste voorwaarden te scheppen voor het ‘heilige huwelijk’: een versmelting van het innerlijk mannelijke en vrouwelijke, waarna een vereniging van de mens met zijn Schepper plaatsvindt.

In het sprookje verschijnt een prins op het toneel, die verliefd wordt op Sneeuwwitje. Deze gebeurtenis symboliseert het begin van de fase van kundalini-ontwaken. Hij neemt haar mee, met kist en al:

‘De prins liet de kist nu door zijn dienaren op hun schouders wegdragen. En toen gebeurde het, dat zij struikelden over een boomstronk, en door de schok schoot het giftige stuk appel dat Sneeuwwitje had afgebeten, uit haar keel.’

De boomstronk symboliseert de wervelkolom waardoor de kundalini naar boven stroomt, naar het kruinchakra. De glazen kist waarin Sneeuwwitje ligt verbeeldt een ‘transparant’ ego, dat door de kundalini-energie is uitgezuiverd.
De prins vraagt opgetogen de wakker geworden Sneeuwwitje ten huwelijk:

“Ik heb je lief, meer dan alles op de wereld, kom mee naar ’t slot van mijn vader, dan zul je mijn vrouw worden.”

Het slot van de vader (de Vader) van de prins, symboliseert het Koninkrijk van God: de verblijfplaats van de mens die het goddelijke meer lief heeft dan ‘alles op de wereld’.

De roodgloeiende pantoffels

Prachtig, tenslotte, is de symboliek van het lot van de valse koningin. Als zij verschijnt op het huwelijk van Sneeuwwitje en de prins, staat haar een zeer onaangename verrassing te wachten:

Maar er waren al ijzeren pantoffels op een kolenvuur gezet en die werden met tangen binnengedragen. Ze moest in de roodgloeiende schoenen gaan staan en zolang dansen, tot ze dood ter aarde viel.

De dansende koningin is een metafoor voor innerlijke kundalini-activiteit. De werking van deze energie wordt vaker uitgebeeld als een dans. De moedergodin Kali uit het hindoeïsme, bijvoorbeeld, die ook de kundalini symboliseert, wordt meestal dansend afgebeeld.

Om haar hals hangt een ketting van bloederige, afgehakte hoofden. Trofeeën van alle ego’s die zij al heeft vernietigd met haar rondzwaaiende armen en benen.

De roodgloeiende pantoffels die de koningin moet dragen, verwijzen naar de zuiverende werking van het kundalini-vuur. Haar dood staat voor de dood van het ego, dat gericht is op de materie, een gebeurtenis die onlosmakelijk is verbonden met het heilige huwelijk.

Alchemie

Het sprookje van Sneeuwwitje roept ons op om de weg van de innerlijke transformatie te gaan. De weg van de alchemist die eenzaam en volhardend in zijn laboratorium probeert lood om te zetten in goud. Een metafoor voor het spirituele groeiproces waarbij het aardse in de mens wordt getransformeerd naar het goddelijke. Het sprookje verwijst subtiel naar de traditie van de alchemie met de beschrijving van Sneeuwwitje: een huid wit als sneeuw, lippen rood als bloed, en haren zwart als ebbenhout.

Negredo (zwart), albedo (wit) en rubedo (rood), zijn de drie fases in het alchemische proces. Negredo, de eerste fase, is als de wereld zijn glans heeft verloren en een afbraakproces begint van de ‘oude mens’. Deze fase wordt in het sprookje verbeeld door Sneeuwwitje die angstig ronddoolt in het donkere bos, op zoek naar een nieuw thuis. Albedo is de fase van uitzuivering. Dit proces wordt gesymboliseerd door Sneeuwwitje die het huis van de zeven dwergen (chakra’s) schoonmaakt, als zij in de bergen zijn om goud te zoeken. In de laatste fase, rubedo, vindt de versmelting van de tegenstellingen plaats, verbeeld in het sprookje door het huwelijk van Sneeuwwitje met de prins.

Spiegeltje, spiegeltje, aan de wand…

Wat dit sprookje ons wil zeggen, via de toverspiegel van de boze koningin, is: maak je niet druk over je buitenkant, richt je liever op je binnenwereld, want wat daarin ligt verborgen is duizendmaal mooier dan al het andere op aarde!

Copyright Anne-Marie Wegh 2017
Dit artikel is gepubliceerd in Paravisie magazine (januari ’17)

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-08-09T15:03:27+00:00 november 30th, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor Sneeuwwitje en de zeven chakra’s

Het glazen muiltje van Assepoester

Het glazen muiltje van Assepoester

De sprookjes van Grimm die wij allemaal zo goed kennen – Sneeuwwitje, Assepoester, Doornroosje – zijn niet zelf bedacht door de twee broers, maar zijn oude volksvertellingen die zij op schrift hebben gesteld. Het zijn verhalen die vaak ook op andere plekken van de wereld rouleerden, soms in een iets andere vorm, maar met frappant veel dezelfde symboliek. Hieruit mogen we afleiden dat er sprake is van een esoterische kennis, die in alle tijden en culturen een ondergronds bestaan heeft geleid, en die via volksverhalen aan elkaar werd doorgegeven.

Ik vermoed dat de gebroeders Grimm zich er niet van bewust zijn geweest dat veel van de sprookjes die in hun boeken zijn terecht gekomen, gaan over een kundalini-ontwaken. Een woord dat in de 19e eeuw ook nog niet was doorgedrongen in de westerse wereld. In het januarinummer van Paravisie konden we lezen dat het sprookje Sneeuwwitje één grote metafoor is voor het kundalini-proces. Deze keer zal ik laten zien dat ook het verhaal van Assepoester gaat over spirituele transformatie met deze mysterieuze energiebron in de hoofdrol.

De boom, de duif, het vuur en het huwelijk

Dit sprookje maakt gebruik van een aantal universele symbolen die we steeds weer terug zien als het kundalini-proces wordt uitgedrukt in beelden: de boom, de witte duif, het vuur en het huwelijk. De boom symboliseert de wervelkolom waardoor de goddelijke energie (vuur) van het bekken naar de kruin stroomt. De duif symboliseert een voltooid proces. Het huwelijk staat voor het versmelten van het mannelijke en vrouwelijke in de mens tot een eenheid, ter hoogte van het zesde chakra, waardoor de deur naar het goddelijke opengaat.

Deze beelden zien we – in een gestileerde vorm – ook terug bij de caduceus, het klassieke kundalini-symbool uit de Griekse godenmythologie. De staf van de caduceus staat voor de wervelkolom van de mens en de twee vleugels voor de bewustzijnsverruiming die het resultaat is van een kundalini-ontwaken. De twee slangen staan voor de twee energiebanen in ons lichaam die ons verbinden met de dualiteit, waaronder het mannelijke en het vrouwelijke (yin en yang in het taoisme). De versmelting van deze energiebanen ter hoogte van ons voorhoofd wordt ook wel het heilige huwelijk genoemd.

Laten we kijken hoe dit alles terugkomt in het verhaal over Assepoester. Net als in het sprookje van Sneeuwwitje, sterft de moeder van Assepoester en haar vader hertrouwt met een kreng van een vrouw. Een boze stiefmoeder staat in sprookjes meestal voor ‘de materie’. Deze interpretatie wordt bevestigd door de etymologie (taalafkomst): het woord materie is afgeleid van het Latijnse mater en betekent moeder. We worden hier op aarde geboren, maar ons werkelijke thuis is in de goddelijke dimensies, is de onderliggende boodschap van het sprookje.

Slapen bij de open haard

Assepoester wordt door haar stiefmoeder opgesloten in de keuken en moet daar zwaar werk doen:

Als ze ’s avonds moe gewerkt was, mocht ze niet naar bed, maar moest naast de haard in de as liggen. Daardoor was ze altijd stoffig en vuil; en zo noemde ze haar Assepoester.

De letterlijke betekenis van haar oorspronkelijke Duitse naam Aschenputtel is ‘zij die in de as blaast om het vuur aan te wakkeren’. Poesten is oud-Nederlands voor blazen. Een prachtige, treffende naam die ons meteen al op het spoor zet van de diepere betekenis van het sprookje. Het haardvuur is het sluimerende kundalini-vuur in ons bekken.

Het beeld van de opgesloten Assepoester, slapend bij de smeulende haard, symboliseert de kundalini-energie die niet meer vrij stroomt door onze wervelkolom, maar ‘slaapt’ ter hoogte van het heiligbeen, als gevolg van onze incarnatie op aarde.

De gemene stiefzusters

Assepoester heeft twee stiefzusjes. Zij verbeelden de twee energiebanen (nadi’s) in ons lichaam, die in de yogatraditie ida-nadi en pingala-nadi worden genoemd, en die ons de materie en haar dualiteit laten ervaren. ‘De stiefzusjes hadden mooie blanke gezichtjes, maar ze waren lelijk en zwart van hart’, zegt het sprookje. Een leven gericht op de materie lijkt misschien mooi aan de buitenkant, maar is zielloos en leeg.

De boomtak en de hoed

Assepoester gaat dagelijks naar het graf van haar moeder en huilt daar bittere tranen omdat ze zo ongelukkig is.

Toen gebeurde het, dat de vader eens op reis moest, en hij vroeg de twee stiefdochters wat ze wilden, dat hij voor hen meebracht. “Mooie kleren,” zei de eerste; “Parels en edelstenen,” de tweede. “En jij Assepoester,” zei hij, “wat wil jij hebben?” – “Vader, als op uw terugreis een takje tegen uw hoed stoot, breng dat voor me mee.” Hij kocht voor de beide stiefzusters mooie kleren, parels en edelstenen. Op de terugweg reed hij door een bos, daar zwiepte een tak van een hazelaar tegen zijn hoed en stootte die af; die tak brak hij af en nam hem mee. Bij zijn thuiskomst gaf hij de stiefdochters wat ze voor zichzelf hadden gewenst, en aan Assepoester gaf hij de hazeltak. Assepoester bedankte hem, ging naar haar moeders graf en plantte de tak daarop; ze schreide zo, dat haar tranen erop neerkwamen en de aarde vochtig maakten. Het takje sloeg daardoor aan en groeide en werd een
mooie boom. Assepoester ging er elke dag driemaal heen, schreide en bad, en elke keer kwam er een wit vogeltje in de boom, en als ze iets wenste, dan gooide het vogeltje alles wat ze vroeg, naar beneden.

Prachtig hoe de boom als metafoor voor het kundalini-proces in het verhaal is verwerkt! Assepoester vraagt als geschenk het takje dat tegen de hoed van haar vader stoot, een verwijzing naar de ‘kundalini-boom’ die groeit tot in ons hoofd. De hoed die wordt afgestoten, staat voor de opening van het kruinchakra.

Assepoester plant het takje op het graf van haar moeder. De kundalini-energie wordt in veel spirituele tradities gezien als vrouwelijk; als een godin, of als ‘God de Moeder’. Ons bekken is het graf waarin deze energie ligt ‘begraven’. Door de tranen van het bedroefde meisje gaat de boom groeien. Wat nodig is om de kundalini wakker te maken is een oprecht verlangen naar God; heimwee naar de plaats waar we vandaan komen. Verdriet om het leven op aarde – hoe wrang dit ook klinkt – is voeding voor de ‘kundalini-boom’.

Het witte vogeltje in de boom staat voor een voltooid proces. Alles wat Assepoester vraagt gooit het vogeltje naar beneden: we krijgen alles wat ons hart begeert, als we doorzetten en het spirituele transformatieproces tot een goed einde brengen.

De koningszoon

Ook het huwelijk met de prins waar het sprookje mee eindigt zit vol met prachtige symboliek. Assepoester wil graag mee naar het feest dat de koning geeft om een bruid voor zijn zoon te zoeken. Zij mag echter pas mee als zij de linzen uit de as heeft gesorteerd die haar stiefmoeder erin gooit. Assepoester roept de vogels om hulp:

Het meisje ging door de achterdeur naar buiten en riep: “Lieve duifjes, tortelduifjes, alle vogeltjes onder de hemel, kom eens helpen! de goede in het kopje de slechte in je kropje!” Daar kwamen door ’t keukenraam twee witte duiven aanvliegen en dan de tortelduifjes, en eindelijk warrelden en dwarrelden daar alle vogeltjes uit de lucht en ze streken allemaal in de as neer. En de duiven knikten met hun kopjes en begonnen pik, pik, pik, pik en toen begonnen de andere vogels ook pik, pik, pik, pik, en alle goede linzen kwamen in de grote schotel.

Dit uitsorteren van de ‘goede linzen’ staat voor de innerlijke reiniging die nodig is voor het heilige huwelijk. Een zuivering die tot stand wordt gebracht door de kundalini-enerige (de vogels).

Dan zegt de stiefmoeder dat ze toch niet mee mag naar het bal, omdat ze geen geschikte kleren heeft. Assepoester gaat naar het graf van haar moeder, waar ook dit keer de witte vogel haar helpt door een prachtige goud met zilveren baljurk, met bijpassende schoentjes, naar beneden te gooien. Deze jurk staat voor het ‘lichtkleed’ dat wordt gevormd onder invloed van het kundalini-proces. Door dit onvergankelijke lichtlichaam verwerven we onsterfelijkheid, de ultieme spirituele bestemming van de mens.

De verliefde prins

De prins is zeer gecharmeerd van Assepoester, maar tot drie keer toe (het feest duurt drie dagen) weet zij te ontsnappen aan zijn pogingen om haar naar huis te brengen. De eerste keer door in een duiventil te klimmen en de tweede keer door zich te verbergen in een perenboom. Zowel de duiventil als de perenboom verwijst naar de wervelkolom, met daarin stromend de kundalini-energie. De derde keer verliest Assepoester tijdens haar vlucht een van haar schoentjes:

De prins nam de schoen; klein en sierlijk en van zuiver goud. De volgende morgen ging hij naar de koning en zei: “Niemand wordt mijn vrouw, dan wie dit schoentje past.”

De schoen van Assepoester moet ons iets zeggen over haar ego: klein en van goud. In een andere versie van het sprookje, opgetekend door de Franse schrijver Perrault, is het schoentje van glas. Dit verwijst naar een ‘transparant’, uitgezuiverd ego (net als de glazen kist van Sneeuwwitje).

Wie past de kleine schoen?

De prins gaat op zoek naar degene die het schoentje past. De voeten van de stiefzusters van Assepoester blijken veel te groot. De ene stiefzuster snijdt haar teen af en de ander haar hiel om de prins om de tuin te leiden, maar ze worden verraden door de witte duiven bij het graf van Assepoester’s moeder: “Roekedekoe, roekedekoe, er is bloed in de schoen, deze schoen is veel te klein, ’t zal de echte bruid niet zijn.”

Als blijkt dat Assepoester het schoentje wel past, neemt de prins haar verheugd mee. Op dat moment komen twee witte vogels aangevlogen en gaan op de schouders van Assepoester zitten: ‘…de ene rechts, de andere links, en daar bleven ze zitten.’ De duiven links en rechts naast het hoofd van Assepoester symboliseren de twee vleugels bovenaan de caduceus: het kundalini-proces is voltooid. Dan lezen we tot slot:

Toen de bruiloft gehouden werd, kwamen de twee stiefzusters, ze wilden meedelen in haar geluk. Toen de bruidsstoet naar de kerk ging, ging de oudste rechts en de jongste links van de bruid zitten; daar pikten de duiven van elk een oog uit. En toen ze weer uit de kerk kwamen, pikten de duiven ieder het andere oog uit. Zo werden ze voor hun lelijk gedrag en hun valsheid voor hun leven met blindheid gestraft!

De stiefzusters gaan tijdens het huwelijk links en rechts van Assepoester zitten. Dit moet bij ons het beeld oproepen van de twee energiebanen – de ida-nadi en pingala-nadi – die aan weerszijde van de wervelkolom stromen. De zusters worden blind gemaakt door de witte duiven: de ontwaakte mens wordt ‘blind’ voor het aardse.

De moraal van het verhaal

Als de stiefmoeder en de stiefzusjes in ons aan de macht zijn, blijft Assepoester opgesloten in de keuken. Oftewel: als wij een leven leiden gericht op de materie en de verlangens van het ego, dan blijft de kundalini-energie ‘slapend’ bij ons heiligbeen.

Copyright Anne-Marie Wegh 2017
Dit artikel is gepubliceerd in Paravisie magazine (maart ’17)

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-08-09T14:55:47+00:00 november 30th, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor Het glazen muiltje van Assepoester

Het spirituele pad, in sprookjes vervat

Het spirituele pad, in sprookjes vervat

De zes dode echtgenotes van Blauwbaard

Veel sprookjes gaan over de weg terug naar de plek waar wij vandaan komen: het Koninkrijk van God. Om terug te keren naar ons werkelijke thuis moeten vaak eerst een aantal moeilijkheden worden overwonnen. Wie niet uitkijkt wordt opgegeten door een heks, een reus of een grote boze wolf. Misschien ben je zelfs al opgegeten?

Hans en Grietje

Het sprookje van Hans en Grietje gaat over ieder van ons. Het beeld van een broer en zus die, achtergelaten door hun ouders, verdwaald zijn in het grote donkere bos, is een metafoor voor de mens (innerlijk opgedeeld in een mannelijke en een vrouwelijke helft) die ‘van God los’ op aarde ronddoolt.

De kinderen dreigen een hongerdood te sterven, maar net op tijd komen ze aan bij een huisje gebouwd van brood, pannenkoeken en kandijsuiker, waar ze meteen aan gaan knabbelen. Ze lijken gered, maar dan blijkt dat ze in de val zijn gelokt door een boze heks die hen gevangen zet en wil opeten.

Het huisje van snoep staat voor de verleidingen van de wereld. Wie eenzijdig gericht is op de aardse genoegens en kiest voor zintuiglijk genot, waarschuwt het sprookje, raakt ‘gevangen’ in de materie en ‘sterft’ in spiritueel opzicht. Gelukkig weten de kinderen zich net op tijd te bevrijden en met hun zakken vol met parels en edelstenen (spirituele rijkdom) uit het huis van de heks keren ze terug naar hun vader (lees: God).

Klein Duimpje

Een ander gevaar op de spirituele weg schuilt in de mens zelf. Het sprookje van Klein Duimpje, een jongen zo groot als een duim, gaat over de avonturen van ons goddelijke zelf tijdens het leven op aarde. Er zijn meerdere versies van dit sprookje. In de versie van Charles Perrault krijgt Klein Duimpje het aan de stok met een mensenetende reus, die hem wil opeten. Een reus staat in sprookjes meestal voor ons ego, dat een bedreiging vormt voor onze goddelijke kern.

Klein Duimpje is de reus echter te slim af en weet zijn zevenmijlslaarzen (zeven chakra’s) en zijn schatten te bemachtigen. Met zijn zakken en de laarzen vol met (goddelijk) goud keert hij terug naar zijn ouders (God).
In de versie van de gebroeders Grimm is het geen reus, maar een koe en een wolf die het leven van Klein Duimpje bedreigen. Hij belandt in de maag van de dieren en weet zich ternauwernood te bevrijden. Gevaarlijke dieren zijn een terugkerend thema in sprookjes. Zij staan over het algemeen voor onze lagere, dierlijke natuur die overwonnen moet worden, willen wij terugkeren naar het Koninkrijk van God.

Gevangen zitten in een maag, zoals Klein Duimpje, verwijst nog eens extra naar het gericht zijn op het bevredigen van de (onder)buik. Vertaald naar chakra-niveau gaat het hier om de energie van de onderste drie chakra’s.

De wolf en de zeven geitjes

Ook Roodkapje wordt opgeslokt door een wolf, net als de zeven kleine geitjes, die nog zo werden gewaarschuwd door hun moeder, toen zij even weg moest om een boodschap te doen. In beide sprookjes doet de wolf zich anders voor dan hij is. In Roodkapje verkleedt hij zich als de grootmoeder van het meisje, en in het verhaal met de zeven geitjes (chakra’s) maakt hij zijn poten wit met meel en verdraait hij zijn stem. Omdat hij niet wordt herkend als een wolf, weet hij zijn slachtoffers te overmeesteren en op te eten.

Dit verbeeldt dat wij het gevaar niet zien van toegeven aan ons driftleven. Deze sprookjes willen ons waarschuwen voor het verspillen van onze levensenergie (die door de zeven chakra’s stroomt). Deze oerkrachten hebben we nodig voor het realiseren van onze hogere natuur. Hierover gaat ook het bekende verhaal van de moordzuchtige Blauwbaard.

Zes dode vrouwen in een kelder

De kersverse echtgenote van Blauwbaard komt er tot haar ontzetting achter dat haar man de zes lijken van haar voorgangsters bewaart in een kamer van het huis. Een huiveringwekkende vertelling, niet echt geschikt voor jonge kinderen, met dezelfde betekenis als het sprookje van de opgeslokte geitjes. De zes echtgenotes staan voor de zes chakra’s die zijn ‘gedood’ door de dierlijke driften: haren (een baard) staan voor het dierlijke. Bij het zevende chakra (echtgenote) gaat echter een transformatie plaatsvinden.

De kleur blauw verwijst naar het spirituele. Dit verhaal wil ons laten zien dat onze dierlijke krachten ‘gespiritualiseerd’ (getransformeerd) moeten worden. De beelden die hiervoor worden gebruikt zijn even hilarisch als treffend en symboliseren een kundalini-ontwaken. Als Blauwbaard erachter komt dat zijn zevende vrouw de lijken heeft ontdekt en haar ook wil vermoorden, vraagt zij hem een kwartier tijd om te bidden. Ondertussen stuurt zij haar zuster Anna de torentap op om te kijken of haar twee broers er aan komen:

“Zuster Anna,” zei zij, “ik smeek je, ga helemaal naar boven in de toren en kijk of je onze broers er nog niet aan ziet komen. Ze hebben mij beloofd, dat zij vandaag hier zouden zijn. Als je ze ziet, geef hun dan een teken dat zij zo vlug mogelijk op moeten schieten.”

Anna haastte zich naar de torentrans en de arme, angstige vrouw riep: “Anna, zuster Anna, zie je nog niets komen?”

Maar zuster Anna zei: “Ik zie alleen de zon, die het zo stoffig maakt, en het gras, dat groen is.”

Intussen had Blauwbaard een groot zwaard gehaald en hij schreeuwde tegen zijn vrouw: “Kom ogenblikkelijk naar beneden, of moet ik je komen halen?”

“Nog eventjes, alsjeblieft,” riep zijn vrouw terug. En weer vroeg zij aan haar zuster: “Anna, zie je nog niets komen?”
En zuster Anna antwoordde: “Ik zie alleen maar de zon, die het zo stoffig maakt, en het gras, dat groen is.”
“Kom onmiddellijk naar beneden,” brulde Blauwbaard. “Anders kom ik naar boven.”

“Ik kom eraan, ik kom eraan,” antwoordde zijn vrouw.
En zij riep: “Anna, zuster Anna, zie je nog niets komen?”
“Ik zie een grote stofwolk, die deze kant uit komt,” riep Anna terug.
“Zijn het onze broers?”
“Ach nee, lief zusje, ik zie nu dat het een kudde schapen is.”
“Kom je of kom je niet?” schreeuwde Blauwbaard.
“Nog één minuutje,” zei zijn vrouw. En zij riep: “Anna, zuster Anna, zie je nog niets komen?”
“Ik zie twee ruiters,” zei haar zuster. “Maar zij zijn nog een heel eind weg.”

“De hemel zij dank,” zei de arme vrouw vol vreugde. “Dat zijn onze broers. Ik zal proberen ze een teken te geven, dat ze op moeten schieten.”

Nu brulde Blauwbaard zo hard van woede, dat het hele huis er van trilde. De angstige vrouw ging naar beneden en wierp zich zelf opnieuw aan zijn voeten. Tranen stroomden over haar wangen en haar haren vielen voor haar gezicht.

“Dat gejammer helpt je niets,” zei Blauwbaard. “Je moet sterven.” Hij greep haar met zijn ene hand bij haar haren vast en wilde haar met zijn zwaard onthoofden. De arme vrouw smeekte hem nog heel even te wachten. “Nee,” zei hij, “beveel je zelf in Gods liefde aan.” En bij die woorden wilde hij haar doden.

Op datzelfde ogenblik werd er zo hard op de deur gebonsd, dat Blauwbaard van schrik niet toe kon slaan. Met getrokken zwaarden stormden er twee ruiters naar binnen. Blauwbaard herkende de broers van zijn vrouw en hij holde meteen weg om zichzelf in veiligheid te brengen. Maar de broers achtervolgden hem en nog voordat hij bij de trap was, haalden zij hem in. Zij doorboorden hem met hun zwaarden en lieten hem dood liggen.

Zuster Anna die de trap oprent van de toren verbeeldt de kundalini-energie die vanaf het bekken opstijgt door de wervelkolom. De twee broers van de vrouw staan voor de twee energiebanen ida- en pingala-nadi, die langs de wervelkolom stromen. Als deze twee energiebanen ter hoogte van het voorhoofd versmelten, sterft het ego (Blauwbaard) en vindt het heilige huwelijk plaats: de mens wordt herenigd met zijn Schepper (de vrouw van Blauwbaard erft al zijn rijkdommen en huwt een andere man).
Het verhaal wordt vaak uitgelegd als een waarschuwing voor de gevolgen van nieuwsgierigheid, omdat alle narigheid begint nadat de vrouw van Blauwbaard een sleutel gebruikt waarvan haar man dit ten strengste had verboden: die van het kleine kamertje aan het einde van de gang op de benedenverdieping.

Dat de vrouw haar nieuwsgierigheid niet kan bedwingen is echter juist een positief aspect van het verhaal. De kamer aan het einde van de gang (wervelkolom) op de benedenverdieping (het bekken) is namelijk de plaats waar de kundalini-energie zit ‘opgesloten’. Het openen van deze kamer symboliseert het begin van een kundalini-ontwaken, en alle onverkwikkelijke zaken die daarna plaatsvinden zijn positieve beelden van een transformatieproces!

Conclusie

Willen wij God vinden, dan zullen wij onze gehechtheid aan materiële zaken en zintuiglijke bevrediging moeten loslaten. We zullen de wolf moeten zien zoals hij is, een gevaarlijk roofdier, en deze niet binnen laten in ons huis. Het ego zal plaats moeten maken voor Klein Duimpje. Geen geringe opgave, maar de sprookjes zijn unaniem over wat ons daarna wacht: een grote rijkdom en een lang en gelukkig leven!

Dit artikel is eerder verschenen in Paravisie magazine (september ’17)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-08-09T14:47:36+00:00 september 11th, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor Het spirituele pad, in sprookjes vervat

Om God te vinden moet je eerst een kikker kussen!

Om God te vinden moet je eerst een kikker kussen

Veel bekende sprookjes gaan over een kundalini-ontwaken. Dat is opmerkelijk, want deze opgetekende volksverhalen stammen uit een tijd dat dit oosterse begrip nog niet tot het westerse collectieve bewustzijn was doorgedrongen. En hoewel heden ten dage, met name door de verhoogde belangstelling voor yoga, ook in dit deel van de wereld de kundalini in het spirituele jargon is beland, wordt deze geheimzinnige bron van energie toch voornamelijk gezien als iets exotisch, horend bij de ascetische yogi die allerlei ingewikkelde oefeningen (kriya’s) uitvoert om deze ‘slangenkracht’ in zijn bekken op te wekken.

Wie er oog voor krijgt gaat echter zien dat in de heilige geschriften en iconografie van vrijwel alle religies en spirituele tradities verwijzingen zijn terug te vinden – meestal verhuld – naar een goddelijke vuur in ons bekken (bij het heiligbeen!). Het beeld dat ontstaat als je al deze ‘sporen’, achtergelaten door ingewijden en mystici, naast elkaar legt, is dat wij bij onze incarnatie in de stof een goddelijke waakvlam hebben meegekregen, die, indien tot ontbranden gebracht, de mens kan leiden naar een volgende stap in de evolutie. Een mogelijkheid tot bewustzijnsverruiming die ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Een potentieel van onsterfelijkheid.

Speciale oefeningen zijn in principe niet nodig om de kundalini te laten ontwaken. Veel belangrijker is een zuivere leefwijze en een oprecht verlangen naar God. En een bereidheid om alles wat in het onderbewuste ligt opgeslagen onder ogen te zien. Over dit laatste gaat het bekende sprookje van de Kikkerkoning.

De gouden bal

Het verhaal begint met een prinses die haar gouden bal in het water laat vallen:

Vlak bij het slot van de koning lag een groot donker bos en in dat bos bevond zich onder een oude linde een bron. Als het nu overdag heel warm was liep het koningskind het bos in en ging aan de rand van de koele bron zitten – en als zij zich verveelde nam zij een gouden bal die zij omhoog wierp en weer opving; en dat was haar liefste spel.Nu gebeurde het op een keer dat de gouden bal van de koningsdochter niet in haar handje viel, dat zij omhoog hield, maar er naast op de grond terechtkwam en regelrecht in het water rolde.

Alle elementen van dit citaat verwijzen naar de kundalini-energie. Een boom is hét klassieke symbool voor de wervelkolom waarin de ontwaakte kundalini omhoog stroomt naar de kruin. De waterbron onder de boom staat voor de goddelijke energie zelf. De gouden bal die de koningsdochter omhoog gooit bij de bron, verbeeldt de opstijgende beweging van de kundalini. Zowel de cirkelvorm als het goud van de bal verwijzen naar het goddelijke.

De prinses laat de bal in de bron vallen en deze verdwijnt onder water; oftewel de kundalini-energie trekt zich terug in het bekken. Ze huilt bittere tranen en is ontroostbaar. Dan komt er uit het water een kikker omhoog die aanbiedt haar te helpen, maar daar wil hij wel iets voor terug:

De kikker antwoordde: “Je kleren, je parels en edelstenen en je gouden kroon wil ik niet hebben, maar als je mij wilt liefhebben en ik je vriendje en speelkameraad mag zijn, naast je aan je tafeltje mag zitten, van je gouden bordje eten, uit je bekertje drinken en in je bedje slapen: als je mij dat belooft, dan zal ik naar de diepte afdalen en je gouden bal weer naar boven brengen.” – “Ach, ja,” zei zij, “ik beloof je alles wat je wilt, als je mij mijn bal maar weer terugbrengt.”

Kikkerkoning

De prinses komt echter haar belofte niet na. Als ze de bal terugheeft laat ze de kikker achter bij de bron. De volgende dag klopt hij op de deur van het paleis, maar de prinses laat hem niet binnen. Als de koning hoort wat er is gebeurd, draagt hij zijn dochter op zich te houden aan wat ze heeft beloofd. Met grote tegenzin opent ze daarna de deur voor de kikker.

Het dierlijke in de mens

De kikker staat voor al onze eigenschappen, neigingen en driften, waarvan we het bestaan het liefst ontkennen. Meestal gaat het hierbij om aspecten van onze dierlijke natuur. Denk hierbij aan agressie, jaloezie, hebberigheid, lust en egoïsme. Een centraal thema dat steeds weer terugkomt in alle geschriften over het kundalini-mysterie, is het overwinnen van onze dierlijke instincten en deze krachten aanwenden voor de realisatie van ons goddelijke potentieel.

Kikkerkoning

Een van de valkuilen op de spirituele weg is het onderdrukken of ontkennen van neigingen die niet passen in het ideaalbeeld dat wij hebben van iemand de heilig of verlicht is. Deze energieën van onze ‘lagere’ of aardse natuur kunnen ons echter – gezuiverd en gesublimeerd – juist helpen om het hogere te verwezenlijken. Sterker nog, zonder deze oerkrachten blijven de poorten van het Koninkrijk van God gesloten. Dit is wat dit sprookje ons wil laten zien.

De kikker die uit het water (lees: het onderbewuste) omhoog komt, symboliseert de bewustwording van deze ‘schaduwaspecten’. Bewustwording alleen is echter niet voldoende: de kikker wil vriendjes worden met de prinses en wil dat zij hem lief heeft, anders krijgt ze haar gouden bal niet terug. Willen wij God vinden, dan zullen wij de ‘onaantrekkelijke’ aspecten van onszelf moeten omarmen en liefhebben. De kikker wil ook van het bordje eten van de prinses en in haar bedje slapen. Dit zijn integratiebeelden; de lagere natuur moet worden opgenomen in de (energie van de) totale persoonlijkheid.

Kikker wordt prins

kikkerkoning

De prinses worstelt met deze opdracht, want ze vindt de kikker maar een vies, lelijk beest. Als ze, tegenstribbelend, het dier meeneemt naar haar slaapkamer, staat haar echter een grote verrassing te wachten:

Toen pakte zij hem met twee vingers op, droeg hem naar boven en smakte hem zo hard zij kon
tegen de muur. “Nu kan je rusten, jij lelijke kikker.” Maar toen hij naar beneden viel was hij geen kikker meer, maar een koningszoon met mooie vriendelijke ogen. En nu was hij zoals haar vader wilde, haar lieve metgezel en echtgenoot. Toen vertelde hij haar dat hij door een boze heks was betoverd en dat niemand hem uit de bron had kunnen verlossen dan zij alleen en morgen zouden zij samen naar zijn rijk gaan.

Eenmaal in de slaapkamer (geïntegreerd) verandert de kikker in een aantrekkelijke prins, met wie de prinses daarna trouwt. Dit huwelijk staat voor de vereniging van de mens met God – het zogenaamde heilige huwelijk – waarbij het mannelijke (de prins) en vrouwelijke (de prinses) in de mens versmelten.

In de oorspronkelijke versie van het sprookje gooit de prinses de kikker tegen de muur. Dit is in latere versies aangepast naar een diervriendelijker beeld: de prinses die de kikker kust.

Het ontwaken van het hart

Dan volgt er nog een prachtig en betekenisvol slot:

De volgende ochtend toen de zon hen wekte kwam er een wagen aanrijden, bespannen met acht witte paarden die witte struisveren op het hoofd hadden en in gouden kettingen liepen en achterop stond de dienaar van de jonge koning, dat was de trouwe Hendrik. De trouwe Hendrik was zo bedroefd geweest toen zijn heer in een kikker werd veranderd, dat hij drie ijzeren banden om zijn hart had laten slaan opdat het niet van smart en droefenis zou breken. De wagen moest de jonge koning afhalen om hem naar zijn rijk te brengen. De trouwe Hendrik hielp hen beiden instappen, ging weer achterop staan en was zeer verheugd over de verlossing.
En toen zij een eind gereden hadden, hoorde de koningszoon een gekraak achter zich alsof er iets brak. Toen draaide hij zich om en riep: “Hendrik, de wagen breekt!”

Kikkerkoning

“Nee, Heer, het is de wagen niet,
Maar een ring van mijn hart,
Die mij steunde in mijn smart,
Toen u in de bron ging wonen
En u als kikker moest vertonen.”

Nóg een keer en nóg een keer brak er ijzer op de weg en de prins dacht steeds dat de koets brak, maar het waren de ijzeren ringen die van het hart van de trouwe Hendrik afvielen, omdat zijn heer nu bevrijd en gelukkig was.

De witte paarden die het verliefde stel naar het koninkrijk van de prins (lees: God) brengen staan voor de uitgezuiverde (witte) dierlijke krachten. De struisvogelveren op hun hoofd hebben dezelfde betekenis als de vleugels van het mythische paard Pegasus: de sublimatie (vergeestelijking) van het aardse. De gouden kettingen waarmee de paarden zijn aangespannen verwijzen naar het goddelijke.

De koetsier van de wagen, de trouwe Hendrik, staat voor de mens in wie deze transformatie plaatsvindt. Het breken van de drie ijzeren banden om zijn hart symboliseert het volledig (drie) open gaan van het hartchakra, als de vereniging met God plaatsvindt. De mens wordt van zijn knellende aardse banden verlost . Een grote gelukzaligheid doorstroomt zijn wezen. De betovering van de heks (de illusie van het Maya) is verbroken.

Noorse godenmythes

Freya

Dit sprookje heeft duidelijke wortels in de Noorse mythologie. De lindeboom (bij de bron) uit het verhaal heeft een heilige status in de Keltische en Germaanse traditie. De moedergodin Freya (onze vrijdag is naar haar vernoemd) zou wonen in deze boom. Freya personifieert – net als veel moedergodinnen uit andere tradities (Kali, Vajrayogini, Aphrodite, Isis, Inanna) – de kundalini-energie. Zij staat voor het vrouwelijke aspect van de ene God, wonend in de wervelkolom (de Lindeboom) van de mens.

Wat bij de keuze van de Linde ongetwijfeld heeft meegespeeld, is dat de zaadjes van deze boom verbonden zijn met een langwerpig blaadje, waardoor zij, als zij naar beneden vallen, een tollende beweging maken. Dezelfde cirkelende beweging die de kundalini-energie maakt, omhoog langs de wervelkolom.

Volgens de mythes wilde Freya kost wat kost een bijzondere ketting genaamd Brinsingamen bezitten. Om deze te verkrijgen moest ze slapen met de vier afzichtelijke dwergen die haar hebben gemaakt. Een verhaallijn die overeenkomt met een prinses die haar bed moet delen met een vieze kikker.
Ook de vier dwergen symboliseren onze aardse (lagere) natuur: in de Noorse mythologie staan vier dwergen, met de namen Noord, Zuid, Oost en West, op de uithoeken van de wereld om het hemeldak te ondersteunen. De kostbare ketting verbeeldt de zeven chakra’s die worden doorstroomd en geactiveerd door de kundalini-energie. Een prachtige metafoor voor een kundalini-ontwaken!

Het sprookje laat de koninklijke koets trekken door acht paarden. In de Noorse mythologie verplaatst de Noorse oppergod Odin zich op het achtbenige paard Sleipnir. De acht benen symboliseren de versmelting van twee krachten (paarden): van de mannelijke energieën en de vrouwelijke energieën, tot één (kundalini-)superkracht.

De moraal

Het sprookje van de kikkerkoning wil ons duidelijk maken dat de weg naar God niet een kwestie is van het aardse overstijgen, maar dwars door de blubber van al je zeer menselijke neigingen leidt. Schijn-heiligheid is een grote valkuil op deze weg!

Dit artikel is eerder verschenen in Paravisie magazine (juli ’17)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-08-09T14:53:53+00:00 juni 26th, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor Om God te vinden moet je eerst een kikker kussen!

De onwettige tweeling van Doornroosje

De onwettige tweeling van Doornroosje

Het sprookje Doornroosje heeft door de eeuwen heen een aantal interessante wijzigingen ondergaan. Van een verhaal voor volwassenen, inclusief een verkrachting van de prinses terwijl ze slaapt, is de variant van de gebroeders Grimm een feelgood-sprookje, geschikt voor kinderen geworden. Laten we eerst kijken naar de gekuiste versie van Grimm, om daarna de symboliek van de obscure, oudere versie onder de loep te nemen.

De verhaallijn is eenvoudig en de betekenis is niet moeilijk te duiden. Een jonge prinses prikt zich aan een spinnewiel en valt in slaap. Iedereen in het paleis – de koning, de koningin en de hele hofhouding – valt ook in slaap. Na honderd jaar wordt Doornroosje wakker gekust door een prins. Het verliefde stel trouwt en ze leven nog lang en gelukkig.

De koningsdochter

Een koning en zijn koningin staan in een sprookje vrijwel altijd voor het goddelijke: het Koninkrijk van God. De plek waar de mens vandaan komt en waarnaar onze ziel nog altijd heimwee heeft. Wij worden allen geroepen om, nog tijdens ons leven op aarde, de verbroken verbinding met ons echte thuis te herstellen. Sprookjes laten ons het spirituele groeiproces zien dat hiervoor nodig is.

In ons bekken bevindt zich een sluimerende energiebron van goddelijke herkomst: de oosterse tradities noemen haar de kundalini-shakti, in de Joodse mystiek heet zij de Shekinah en het christendom spreekt over de Heilige Geest. Veel spirituele tradities zien deze krachtbron als het vrouwelijke aspect van God. In mythes en legendes is zij vaak een godin, een koningin of een prinses.

Zolang de mens gericht is op de aardse genoegens en zintuiglijke bevrediging, leidt deze krachtbron een ‘slapend’ bestaan. Een verlangen naar God en een zuivere leefwijze doet deze energie ontwaken, waarna een intensief reinigingsproces op gang komt, dat uiteindelijk leidt tot een versmelting van het innerlijk mannelijke en vrouwelijke: het zogenaamde heilige huwelijk. De deuren van het Koninkrijk van God gaan open en de mens wordt herenigd met zijn Schepper.

De slapende kundalini-shakti hebben we in vorige Paravisies teruggezien als Sneeuwwitje die in coma lag (januari ’17) en als Assepoester die opgesloten zat in de keuken, bij het smeulende haardvuur (maart ’17). Dit keer wordt zij verbeeld door de in slaap gevallen prinses Doornroosje.

Het spinnewiel

Op een dag loopt de prinses wat te dwalen in het paleis:

Om iets te doen, liep zij ’t hele paleis door, bekeek alle zalen en alle kamers, net zoals ’t haar inviel.
Tenslotte kwam ze bij een oude toren. Een nauwe wenteltrap ging daar omhoog, ze beklom die en ze kwam bij een smalle deur. In het slot stak een roestige sleutel; die draaide ze om: de deur sprong open. Daar zat in een klein kamertje een oude vrouw met een spinnewiel en ze spon ijverig haar vlas. “Goedendag, oud moedertje,” zei de prinses, “wat doe je daar?” – “Wel, ik ben aan ’t spinnen,” zei het oudje en knikte haar eens toe. “En wat is dat voor een ding dat zo grappig uitsteekt?” vroeg het meisje en ze wilde ook eens proberen te spinnen. Nauwelijks had ze ’t spinrokken aangeraakt of de toverspreuk ging in vervulling: ze stak zich in de vinger. Op ’t zelfde ogenblik dat ze gestoken was, viel ze neer op het bed dat er stond, en ze lag meteen in een vaste slaap.

De toren van het paleis staat voor de wervelkolom van de mens. De wenteltrap staat voor de spiraalbeweging die de kundalini-energie maakt als deze ontwaakt en opstijgt. Dit wordt in veel tradities verbeeld als een slang die omhoog kronkelt langs de wervelkolom.

Het oude vrouwtje met het spinnewiel staat voor ‘moedertje tijd’ die de ‘draad van het leven’ spint. De prik aan het spinnewiel is een metafoor voor de incarnatie van de mens in de materie. De verbinding met het goddelijke wordt op dat moment verbroken: de goddelijke prinses in ons bekken valt in slaap.

De 100-jarige slaap

Als de kundalini slaapt, verkeert de gehele mens in een ‘slaaptoestand’, oftewel een staat van spirituele onbewustheid. Dit wordt in het sprookje verbeeld door alle mensen en dieren in het kasteel die ook in slaap vallen. Zelfs het haardvuur (lees: het kundalini-vuur) slaapt in.

Rondom het slot begon een doornenhaag te groeien. Elk jaar werd hij hoger, eindelijk omringde hij
het hele paleis en sloot het in, en groeide er boven uit. Er was niets meer van te zien, zelfs niet de vlag op de toren.

Het paleis wordt aan het zicht ontrokken: het goddelijke verdwijnt uit beeld. Vele prinsen proberen de slapende prinses te bereiken, maar slagen er niet in door de doornenhaag te komen. Dit symboliseert dat het goddelijke zich niet makkelijk laat heroveren. De kundalini ontwaakt pas als de tijd hiervoor rijp is; als de spirituele zoeker het nodige voorbereidende werk heeft gedaan. In het sprookje zien we dat na precies 100 jaar (het getal 1 staat voor het goddelijke), de zoveelste prins die het probeert, dit keer moeiteloos door de haag heen loopt:

De prins naderde de doornhaag, maar het waren mooie, grote bloemen die van zelf uiteen weken en hem ongehinderd doorlieten. Achter hem sloten ze zich weer volkomen. Hij ging verder: hij kwam in de grote zaal; daar lag de hele hofstoet, ze sliepen allen; en naast de troon lagen de koning en de koningin. Verder ging hij, alles was zo stil dat hij zijn adem kon horen; eindelijk kwam hij bij de toren, hij liep de wenteltrap op en opende de deur en kwam in het kamertje waar Doornroosje sliep. Daar lag ze; zij was zo mooi dat hij zijn ogen niet van haar afwenden kon, en hij bukte zich, en hij kuste haar. Toen hij haar met een kus had aangeraakt, sloeg Doornroosje de ogen op, werd wakker en keek hem allerliefst aan.

De kundalini-symboliek is onmiskenbaar: boven in de toren (de wervelkolom) vindt de versmelting van het mannelijke en vrouwelijke plaats (de kus), waarna het heilige huwelijk volgt:

Toen werd de bruiloft gehouden van de prins met Doornroosje, vol pracht en praal, en zij leefden nog lang en gelukkig tot het einde van hun dagen.

De x-rated versie

De oudste geschreven versie van Doornroosje stamt uit 1632, en draagt de naam ‘Zon, maan en Talia’. In dit verhaal legt de vader van prinses Talia het slapende lichaam van zijn dochter in het bos. Een merkwaardige gang van zaken, maar symbolisch gezien sluit het naadloos aan bij de bovenstaande interpretatie van het sprookje. Het donkere bos staat voor ‘de wereld’; het spirituele duister, waarin de mens incarneert.

Een edelman vindt tijdens de jacht de slapende prinses en hij verkracht haar. Negen maanden later krijgt zij een tweeling genaamd Zon en Maan. Deze bizarre verhaallijn staat voor het energetische proces in de mens na zijn geboorte op aarde. Zon en maan staan voor de twee energiebanen die in de yogatraditie ida-nadi en pingala-nadi worden genoemd. Deze energiebanen stromen langs onze wervelkolom en vertegenwoordigen de dualiteit in de mens: het mannelijke en het vrouwelijke, warm en koud, licht en donker, enzovoorts. De zon en de maan (het actieve en het passieve) zijn twee klassieke symbolen die deze dualiteit uitdrukken.

Bosfeeën leggen de tweeling ieder aan een borst van Talia. Dit beeld laat ons zien dat de kundalini-energie wegvloeit via de ida- en pingala-nadi, in plaats van op te stijgen door de wervelkolom, en de mens daarmee gevangen houdt in de dualiteit. In feite is het de mens zelf die een ‘tweeling’ wordt.

Ook nu komt het echter allemaal goed. Als de edelman na een paar maanden terug keert naar het bos om nog een keer seks te hebben met Talia, treft hij haar wakker aan. Talia trouwt met hem (het heilige huwelijk) en ze leven nog lang en gelukkig, samen met de tweeling. Ze zijn nu één gezin; symbool voor het overstijgen van de dualiteit.

Rapunzel

Wie de vertaalslag van de symboliek in sprookjes eenmaal te pakken heeft, ziet veel overeenkomsten in de verhalen wereldwijd.

Het sprookje Rapunzel, bijvoorbeeld, vertoont veel gelijkenis met Doornroosje. Rapunzel is door een heks opgesloten in een toren. Een smachtende prins klimt omhoog via de vlechten van het meisje, die zij uit de torenkamer naar beneden laat hangen. Een prachtige metafoor voor de kundalini-energie die omhoog stroomt door de wervelkolom en leidt tot een versmelting van het mannelijke en vrouwelijke ter hoogte van het voorhoofd (het zesde chakra).

Als de heks achter deze geheime ontmoeting komt, knipt ze het haar van Rapunzel af (de kundalini verdwijnt in het bekken) en ze verbant haar naar een woestenij; een beeld dat, net als het donkere bos, het leven op aarde symboliseert.

De heks wacht de prins op in de toren en laat hem schrikken, waardoor hij in een doornstruik valt en blind wordt. Hij dwaalt de wereld rond tot hij Rapunzel weer vindt. Ze heeft inmiddels een tweeling van hem gekregen.

De blindheid van de prins staat voor het blind worden voor de verlokkingen van de wereld. Een voorwaarde voor het kunnen plaatsvinden van het heilige huwelijk. De tweeling die Rapunzel heeft gekregen, heeft dezelfde diepere betekenis als bij het verhaal over Talia.

Ook dit keer eindigt het verhaal met een koninklijk huwelijk en een lang en gelukkig leven (verbonden met God).

De moraal van deze verhalen

De mens is een slaapwandelaar, die het aardse leven veel te serieus neemt en sprookjes niet. Hoog tijd voor het omgekeerde!

Dit artikel is verschenen in Paravisie magazine (mei 2017)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2017-11-24T11:03:24+00:00 mei 22nd, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor De onwettige tweeling van Doornroosje

Een healer worden als Jezus

Een healer worden als Jezus

Maar weinig mensen zullen bij het zoeken naar een goede coach of therapeut denken aan Jezus van Nazareth. Toch is dat wat hij in wezen was: een geestelijk genezer, en de verhalen over hem kunnen ook nu nog cliënten en hun begeleiders inspireren op het gebied van persoonlijke groei en heelwording.

Steeds meer groeit het besef dat het grootste deel van de Bijbel niet letterlijk genomen moeten worden, maar geschreven is in beeldtaal. Jezus die over water liep bijvoorbeeld is een metafoor voor zijn meesterschap over zijn gevoelsleven (water is een archetype voor emoties).

De centrale boodschap van Jezus was hoe wij het Koninkrijk van God kunnen verwezenlijken. Dit was volgens hem niet een bepaalde plek op aarde of in de hemel (hier of daar), maar bevond zich in ons.

En men zal niet zeggen: Zie hier of zie daar,
want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u.

(Lucas 17:21)

Jezus was een verlicht mens en hij wilde ons leren hoe ook wij de dualiteit kunnen overstijgen en de eenheid met God kunnen ervaren. Dit is een weg die met name in het teken staat van heling. Onze innerlijke verwondingen genezen en weer heel worden als een kind. Een van Jezus’ gevleugelde uitspraken is:

Als u zich niet verandert en wordt als de kinderen,
zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.
(Matt. 18:3)

Het woord heilig is etymologisch verwant aan heel. Een heilig mens is in wezen een geheeld mens. We lezen in evangeliën over een scala aan kwalen die door Jezus wordt genezen, waarbij het opvalt dat het allemaal chronische aandoeningen zijn: verlamming, blindheid, doofheid, etc. De diepere (werkelijke) betekenis van deze verhalen wordt duidelijk als we de lichamelijke ziektes en invaliditeit vertalen naar het geestelijke vlak. Een geestelijke verlamming bijvoorbeeld: vastzitten, niet meer weten waar naartoe. Geestelijke doofheid: niet willen luisteren, de stem van je hart niet kunnen horen, etcetera.

Geestelijke genezing

Waarom zou Jezus een geestelijke genezing zo belangrijk vinden? Als we onze verwondingen fysiek gemaakt zouden zien op ons lichaam, dan zouden we diep geschokt zijn. Wij zelf, maar ook iedereen om ons heen: vol met striemen, blauwe plekken en littekens. Geslagen, bloedend, geamputeerd. Door al deze oude pijn die we met ons meedragen zijn we in onszelf gekeerd. Als een gewond dier, onze wonden likkend, onze kwetsbaarheid verbergend voor de buitenwereld. Dit is de staat waarin God ons aantreft.

Hij wil ons helpen, maar wij zien of horen Hem niet. Het huilen van het gewonde kind in ons overstemt alles. De muur die we hebben opgebouwd om onszelf te beschermen tegen de buitenwereld houdt ook God buiten. Wij roepen Hem en zijn teleurgesteld dat we geen teken ontvangen, maar we zijn zelf degenen die de deur van ons hart hebben geblokkeerd.

Geestelijke genezing brengt ons dichter bij God. Na veel van Jezus’ wonderen volgt de genezen man of vrouw hem daarna op zijn weg. Dat is geen toeval. De weg naar God en genezing zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Laten we eens een wonderbaarlijke genezing uit de Bijbel, en de werkelijke betekenis ervan, nader bekijken.

De genezing van een blindgeborene

In het evangelie van Johannes lezen we over een blindgeboren man die Jezus weer laat zien.

En in het voorbijgaan zag Hij iemand die blind was van de geboorte af.
En Zijn discipelen vroegen Hem: Rabbi, wie heeft er gezondigd, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren zou worden?
Jezus antwoordde: Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden.
Ik moet de werken doen van Hem Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand kan werken.
Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld.
Nadat Hij dit gezegd had, spuwde Hij op de grond, maakte slijk met het speeksel en streek het slijk op de ogen van de blinde, en Hij zei tegen hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (wat vertaald wordt met: Uitgezonden). Hij dan ging weg en waste zich en kwam ziende terug.

(Joh 9:1-7)

Mensen die in medisch opzicht prima kunnen zien, kunnen toch volgens de Bijbelse normen blind zijn als zij in spiritueel opzicht nog in een staat van duisternis en onwetendheid verkeren. Blindheid is dan Gods aanwezigheid ontkennen en in plaats daarvan gericht zijn op de materie.

In die tijd geloofde men dat ziektes het gevolg waren van zondigen. Een straf van God. Maar hoe zit dat dan bij iemand die al vanaf zijn geboorte blind is, vragen de leerlingen van Jezus zich af. Komt dat misschien omdat zijn ouders hebben gezondigd? Het antwoord van Jezus is raadselachtig als je de blindheid letterlijk neemt: dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden. Is de man blind zodat hij als proefkonijn kan dienen voor Jezus?

Modder

Jezus doelt met zijn woorden op een spirituele blindheid: de man kan het licht van God niet zien omdat Hij Zijn werk nog niet in hem heeft gedaan. Dat werk gaat Jezus nu verrichten, zegt hij, en hij voegt meteen de daad bij het woord. Hij spuwt op de grond, maakt modder met het speeksel en strijkt dit op de ogen van de blinde. Daarna stuurt hij hem weg naar het bad van Siloam om zijn ogen uit te wassen. Er zit een aantal merkwaardigheden aan deze gang van zaken.

Waarom heeft Jezus, als vertegenwoordiger van God op aarde, modder nodig om de blinde te genezen? En hoe moet de man de weg vinden naar Siloam, nog steeds blind en nu ook nog eens met zijn ogen vol slijk? Als we de blindheid nemen als figuurlijk en de modder afwassen als symbolisch, wordt het een stuk logischer en duidelijker.

De man krijgt opdracht het aardse af te wassen. Hij wordt gezuiverd van zijn gehechtheid aan materiële zaken en zijn ogen gaan open voor het spirituele. Siloam betekent uitgezonden zegt de tekst (vers 7). De naam stamt af van het Hebreeuwse werkwoord shalah, dat inderdaad uitzenden betekent. Dit kan van toepassing zijn op een stromende waterbron, maar shalah betekent ook uitzenden, wegzenden in de zin van loslaten. Daarom wordt de blinde door Jezus naar Siloam gestuurd: hij moet de materie en zijn oude, beperkte zienswijze loslaten.

Jezus die zijn speeksel vermengt met zand moet ons een beeld geven van de inwerking van het goddelijke (het speeksel van Jezus) in de mens. Een genezing kan plaatsvinden als wij bereid zijn om los te laten, en als wij open staan voor het goddelijke.

Blindgeboren

Het is goed om je bij de wonderverhalen in de Bijbel te blijven realiseren dat deze ook over ons gaan. Wij zijn allen blindgeboren totdat we spiritueel ontwaken. Vragen die je jezelf zou kunnen stellen zijn: welke vastgeroeste overtuigingen zou ik kunnen loslaten? Heb ik mij beelden gevormd van God die mijn groeiproces misschien in de weg zitten? Op welke gebieden zou ik nog wat meer kunnen onthechten? Gebruik ik mijn spiritualiteit om indruk te maken op anderen? Voel ik mij beter dan een ander die zich niet met God bezighoudt? Doe ik mij anders voor dan ik me voel? De antwoorden hierop vragen om een groot zelfinzicht, een belangrijke voorwaarde om een ziener te worden.

Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek,
maar u weet niet dat juist u ellendig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt bent.

Ik raad u aan dat u van Mij goud koopt, gelouterd door het vuur, opdat u rijk wordt,
en witte kleren, opdat u bekleed bent en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt.
En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zult kunnen zien.

(Openb. 3:17-20)

De rol van een coach of therapeut

Een geestelijke crisis is bij een cliënt vaak het begin van spirituele bewustwording en groei. Dat is de winst die men noemt als men terugkijkt op een donkere periode. In een spiritueel ontwaken kan de coach of therapeut een belangrijke begeleidende rol spelen. Bijvoorbeeld door het onderwerp bespreekbaar te maken en tips te geven. Alle religies en spirituele tradities kunnen in principe ondersteunend werken in een proces van heling. Ik merk echter dat men vaak aangenaam verrast is dat ook onze christelijke wortels een bron kunnen zijn van voeding en groei!

Dit artikel is gepubliceerd in Paravisie magazine (november ’17)
Copyright Anne-Marie Wegh 2017

DOWNLOAD ARTIKEL (PDF)
By | 2018-08-09T14:42:55+00:00 januari 1st, 2017|Paravisie|Reacties uitgeschakeld voor Een healer worden als Jezus